ik zet me schrap…

26 Jun

Als boerendochter ben ik vrij down to earth.  Romantiek is niet aan me besteed. Ik heb nogal een nuchtere kijk op leven en dood. Houd me niet bezig met het delen van diepzinnige zegswijzen of teksten op facebook, ook niet als deze tot doel hebben bepaalde bevolkingsgroepen een hart onder de riem te steken of om mijn kinderen te bejubelen.

Maar dit wil niet zeggen dat ik geen emoties heb of niet meeleef. Integendeel. Ik kan nogal ongecontroleerd heftig reageren op sommige situaties.  Zo schiet ik gegarandeerd vol van zodra ik in het moederhuis de kersverse  ouders liefdevol naar  hun baby’tje zie kijken. Bij rapportbesprekingen zwijg ik wanneer de leerkrachten mijn dochters bewieroken. Het maakt me zo trots dat ik een krop in de keel krijg, waardoor ik vrees geen normaal geluid meer uit te kunnen brengen. Dus knik ik braaf met blinkende oogjes. Toen ik huwde heb ik nauwelijks “ja” kunnen zeggen, zo werd ik overmand door tranen van geluk. Als je mijn trouwfoto’s ziet, zou je bij sommige denken dat het een begrafenis betreft. Het stoort me enorm, mijn tranen. Ik vind ze absoluut overdreven, maar wat ik er ook van vind, ze blijven over-drijven. En met ouder worden, betert het er niet op.

Morgen mogen we naar de proclamatie van onze oudste dochter. Ze zwaait af van het middelbaar. Klaar voor een nieuw hoofdstuk in haar jongvolwassen leven. De school voorziet dus een mooie afsluiter. Ik zet me schrap…

leut, leuter, leutst

3 Mei

Mijn uiterlijk strookt niet met mijn gevoel voor humor.   Ik heb de neiging om nogal boos, of liever streng, te kijken, ook al ben ik het merendeel van de tijd goedgezind en associeer ik mezelf eerder met een zotte doos dan met een zuurpruim.

Gisteren kon er echter meer dan een lachje vanaf. Zelden zo een leut gehad.

Complexloos togen mijn man ik  naar een saunacomplex. Een naaktsauna. Het relaxen deed deugd, veel deugd, temeer omdat we de dag voordien een halve marathon hadden gelopen in Luxemburg. Een aanrader, een puike organisatie bovendien, maar wel een heuse kuitenbijter met al die niveauverschillen.

Op een gegeven ogenblik kozen we ervoor om in de zoutsteensauna te relaxen.  Zo ziet deze er uit. Klik ook op de foto rechtsonder om de binnenkant te aanschouwen, dan hoef ik mijn tijd niet te verspillen aan een omslachtige omschrijving. Alle bankjes waren nagenoeg bezet. Er was nog één plaatsje bovenaan beschikbaar, en één plaatsje beneden. Ik installeerde me beneden, omdat het me niet zo flatterend leek om in mijn evakostuum naar boven te kruipen en liet dat ‘genoegen’ over aan mijn man. “Hoe moet ik boven geraken?” fluisterde hij. “Hierlangs,” gebaarde ik, ervan uitgaand dat hij tussen twee zwetende lijven de onderste bank  als een opstapje zou gebruiken.

Dat was echter buiten de lenigheid van mijn man gerekend, die bijna vijftig is (overmorgen om precies te zijn) en het pezige – lees: schrale – lijf heeft van een marathonloper, die hij overigens niet is, maar dit terzijde.  Hij wierp zijn handdoek handig  over de vrouw die op de onderste trap lag te soezen, twijfelde geen seconde en sprong in één snelle beweging over haar heen zonder haar te raken. Sierlijk als een wild dier. Al ben ik er nog niet over uit welk dat mag zijn. Ik lag beneden en was getuige van dit schouwspel. Was ook getuige van zijn bungelende klokkenspel dat tijdens de sprong iets te enthousiast naar de knappe benedenbuur zwaaide, al was het met een slap handje. Toen ik me onwillekeurig voorstelde wat deze actie betekend had voor de vrouw in kwestie, schoot ik in onbedaarlijke lach. Een lach die al vlug ontaardde in een slappe lach. Die tot ergernis van enkelen en tot vreugde van anderen slechts voor korte tijd wegebde en vervolgens weer aanzwol.  Het beterde er niet op toen ik me even verlegde en mijn billen bijna verbrandde aan een hete zoutsteen.

Ik dacht nooit meer te kunnen stoppen met lachen.

Ten einde raad ben ik luid  grinnikend vertrokken en heb ik de allerheetste sauna uitgekozen om af te koelen.

 

PS Heb ik geen geni(t)ale titel verzonnen?

 

 

 

 

 

trots

21 Feb

Mijn ouders mochten/mogen iets meer trots zijn op hun kinderen en dit ook tonen. Ik ben ervan overtuigd dat dat bij jonge kinderen noodzakelijk is voor de opbouw van het zelfvertrouwen, al spelen hierbij natuurlijk ook andere factoren een rol. Van jongsaf aan nam ik me voor om dat anders aan te pakken als ik zelf moeder zou zijn. Gelukkig ben ik niet in de gevaarlijkste valkuil getrapt.

Ken je ze? Die ouders die té trots zijn. Die, bij wijze van spreken, ieder scheetje dat hun kind laat, bejubelen? Verschrikkelijk vind ik dat. Je kweekt er ettertjes mee, kinderen die denken dat de wereld steeds rond hen draait, omdat hun ouders àlles wat ze doen geweldig vinden, waardoor ze, door deze misplaatste trots, hun gevoel voor realiteit verliezen. Je kan het hen niet eens kwalijk kan nemen, maar  het is m.i. even moeilijk bij te stellen als een gebrek aan zelfvertrouwen.

Toch betrap ik me erop, dat ik, in navolging van mijn ouders, mijn fierheid t.a.v. mijn kinderen eigenlijk wat te weinig  uit.

Onlangs ging ik haarverf kopen in een kappersgroothandel. Dochterlief mocht me daarna eens goed onder handen nemen. Toen ik haar echter vroeg om mee te gaan naar de speciaalzaak, kwam er luid protest.  Ik duldde echter geen tegenspraak omdat ik deze uitstap voor haar heel zinvol vond. Dik tegen haar zin ging ze mee.

Bij het afrekenen vroeg het winkelmeisje dat inmiddels begrepen dat Tia op de richting haarzorg zit,  of ze interesse had om op zaterdag in een kapsalon te gaan werken. Tia reageerde meteen enthousiast en kreeg de adresgegevens van de betreffende kapster mee. We besloten om er geen gras over te laten groeien en gingen er meteen langs. Perfecte timing, want de laatste klant verliet net de zaak.

Onderweg had ik Tia duidelijk gemaakt dat het aan haar was om het woord te doen. We spraken af dat ik wel mee naar binnen zou gaan en overliepen wat ze best zou zeggen. Tenslotte is zo’n spontane sollicitatie niet niks voor een vijftienjarige.

Dit verliep goed. De kapster had zeker interesse, alleen had ze ’s voormiddags ook al een kandidate over de vloer gehad, weliswaar iemand van het laatste jaar. Eigenlijk ging haar voorkeur uit naar een jonger iemand, omdat ze die beter kan kneden en langer als hulpje kan houden. Ze had het andere meisje al gevraagd om volgende zaterdag op proef te komen, maar bedacht dat ze dit eventueel nog kon annuleren. We kregen dus de indruk dat het al min of meer in de sacocche was. Daarnaast was ik ervan overtuigd – zonder misplaatste trots – dat dochterlief een goede eerste indruk had nagelaten.  De kapster in kwestie zou iets laten weten. We vernamen ook dat ze enkele weken eerder  aan een vakleerkracht van de school had gevraagd om in het vierde en vijfde jaar te polsen of er iemand interesse had in een weekendjob, maar er was geen reactie op gekomen. Tia gaf aan dat er in haar klas niets gevraagd was.

Maandag hoorde Tia niks en dinsdag vroeg de vakleerkracht of er iemand interesse had om in een kapperszaak weekendwerk te doen. Samen met een ander meisje stak Tia haar hand in de lucht. Het bleek om dezelfde kapperszaak te gaan. Tia liet weten dat ze daar al geweest was en daarom vond de leerkracht het niet meer nodig om haar naam te noteren. Dinsdag hoorde Tia weer niks. Woensdag raadde ik haar aan om zelf nog eens contact op te nemen om duidelijk te laten blijken dat ze nog steeds geïnteresseerd was.

Dat zag ze niet zitten. Volgens haar kwam dat verkeerd over, maar ik verzekerde haar dat het, als ze het goed zou aanpakken, alleen maar in haar voordeel zou spelen. Vervolgens begon Tia allerlei excuses te verzinnen om niet te hoeven bellen. “Kan jij niet bellen?” smeekte ze. “En zeg dan dat ik onder de douche sta.” “Neen, je zal zelf moeten bellen,”volhardde ik, “iemand die met klanten zal moeten omgaan, moet laten zien dat sociale omgang voor haar geen probleem is.” Er ontpopte zich een kleine discussie die ik uiteindelijk won. In overleg met mij schreef Tia op papier wat ze zou zeggen, nam dit blaadje mee naar de telefoon en belde zonder verpinken naar de kapster. De TV stond gewoon op de achtergrond te spelen en met drie huisgenoten bevonden we ons op slechts op een boogscheut van haar af.

Ik was stomverbaasd. Dit was helemaal in tegenstrijd met de voorgaande discussie. Ik had nauwelijks zenuwachtigheid gemerkt. Ze had dat goed gedaan. De kapster verzekerde haar dat ze haar nog zou bellen om af te spreken voor een proefdag. Ik was er niet zo zeker van. Waarom werd er niet meteen een afspraak gemaakt?

Feit is dat ik trots was. Zo trots als een moeder kan zijn. “Ik ben trots op jou”, zei ik “op de eerste plaats omdat je het gedurft hebt, maar ook omdat je dat heel goed gedaan hebt.”

“Weet ik,” zei ze laconiek, “ik ben nu eenmaal goed in bellen.”

 

 

 

 

 

 

 

 

waar blijft het verlangen?

27 Jan

Mijn moeder was 25 toen ze mijn vader leerde kennen op de kermis. Bij toeval, want als het aan hààr moeder gelegen had, was ze niet mogen gaan. Gelukkig was mijn grootmoeder niet thuis op het ogenblik dat een schoolvriendin mijn moeder kwam vragen om mee te gaan. Mijn moeder vroeg en kreeg de toestemming van een inwonende tante. Had ik al verteld dat ze toen al 25 jaar was? Vijfentwintig!

Mijn vader was even oud. Ze huwden drie jaar later en toen ze ruim negen maanden later een eerste kind kregen, waren er een paar verbitterde oude vrijsters die de roddel verspreidden dat het ‘van moetens’ was. Mijn moeder, die veel belang  hechtte aan de maagdelijke status bij de aanvang van het huwelijk, vond deze onterechte roddel verschrikkelijk en heeft er naar het schijnt twee dagen om gehuild.

Voor mijn ouders was het onderwerp ‘seks’ een taboe. En dat heb ik altijd heel spijtig gevonden. Niet alleen jammer, maar het heeft me ook wel wat getekend. Ik was geen onbevlekte maagd meer toen ik huwde, maar zat wel opgezadeld met een zinloos schuldgevoel bij elke voorhuwelijkse stoeipartij. Dat is wel iets dat ik mijn ouders ooit stiekem verweten heb. Nu vind ik het niet meer nodig om dit ter sprake te brengen. Ik besef dat ze gehandeld hebben naar wat hun het beste leek…

Inmiddels heb ik zelf twee dochters. Zoals vele ouders heb ik me voorgenomen om niet de fouten te maken die de mijne hebben gemaakt. Ik betrap me er wel op dat ik behoorlijk ouderwets ben als het op seksualiteit aankomt. Uiteraard hoeven mijn dochters geen maagd meer te blijven tot aan hun huwelijk, dat zou pas hypocriet zijn.  Maar mochten ze al veelvuldig experimenteren op zeer jonge leeftijd, zou ik het daar behoorlijk moeilijk mee hebben. Zelf was ik nogal een laatbloeier op dat vlak. Gelukkig voor mij zijn mijn dochters ook niet van de rapsten. Zou dat in de genen zitten?

Onlangs sprak ik een moeder wiens dochter sinds kort een relatie heeft. “En die is al blijven slapen,” zei ze verontwaardigd “en ons Brenda is nog maar vijftien!” vervolgde ze. Ik snapte niet goed waar haar verontwaardiging vandaan kwam. Bepaal je als ouder van een vijftienjarige niet zelf wie er wel en niet blijft slapen? Of is het zo eenvoudig niet? Ik begrijp wel dat je geen seksuele relatie tegenhoudt door het samen slapen te verbieden, maar moet je het daarom zonder meer goedkeuren? Trouwens, de achterbank van een auto heeft ook zijn charmes, maar dan moet één van beide partijen (’t liefst beide partijen) natuurlijk wel al een rijbewijs hebben! Waarmee ik niet wil zeggen dat mijn kinderen alles achter hoek en kant zullen moeten doen, het is me uitsluitend om de leeftijd te doen…  Ik huiverde toen ik bedacht dat de jongen in kwestie niet meer tevreden zal zijn met een handje en een kusje, mocht hij mijn dochter versieren na het beëindigen van zijn relatie.

Ons Tia wordt dit jaar zestien. In haar klas zitten slechts twee maagden. Zij is er eentje van, maar beschouwt het gelukkig niet als een – zo spoedig mogelijk op te lossen -probleem. Haar beste vriendin die inmiddels al twee jaar een vaste relatie heeft, kloeg na de kerstvakantie dat ze het erg vond om weer alleen te slapen. Haar vriendje had immers twee volle weken knusjes naast haar gelegen.

Moet ik het normaal vinden dat een vijftienjarige al halvelings samenwoont, ook al is het onder het ouderlijk dak? Raakt men op deze manier niet te snel op elkaar uitgekeken omdat ‘het verlangen naar’ te vlug teniet gedaan wordt? Of ben ik nu hopeloos ouderwets?

zolang het om te lachen blijft…

25 Jan

Anekdote.

Ruim 25 jaar geleden. Mijn broer gaat samenwonen. Afkomstig uit een katholieke nest en wonend in een godvergeten gat was dat 25 jaar geleden geen evidentie. “Wat vindt ge daarvan?” vroeg mijn oom destijds aan mijn vader. “Tja, wat moet ik daarvan vinden?”  Niet bevredigd door het antwoord vervolgde mijn oom “Denkt ge dat ze bij elkaar slapen?” “Daar durf ik mijn hand voor in de stoof te steken dat dat niet het geval is,” repliceerde mijn vader met volle overtuiging. “Ja maar, die kachel is uit” protesteerde mijn oom. “Net daarom!”

Enkele jaren geleden werd bij mijn vader de ziekte met de grote A (Alzheimer) vastgesteld. Zoals eigen aan de ziekte grijpt hij vaak terug naar het verleden. Dat heeft hij eigenlijk altijd al gedaan, hij is nogal een nostalgicus. Bovendien  is hij een geboren verteller, doch de laatste jaren vindt hij zijn woorden steeds moeilijker. Onder andere daaraan hebben we gemerkt dat er wat aan de hand was.

Onlangs herhaalde hij de anekdote, die we natuurlijk allemaal al kennen. “Toen onze Laurens ging samenwonen, wou Jaak weten wat ik ervan vond.” “Tja, wat moet ik daarvan vinden?” antwoordde ik. “Zouden ze samen slapen?” vroeg Jaak. “Daar steek ik mijn vrouw voor in de stoof dat dat niet het geval is.”

Hij rondt zijn verhaal af en  ondertussen zitten mijn moeder en ik  onderling te gniffelen. “Ge staat er kwaad op, mama, zo in de stoof belanden.”  “Ja, ik denk het ook”.  We zien er de humor wel van in. Amper een half uur later krijgen we de juiste versie te horen.

Vandaag op het werk.

Ik bracht even een bezoekje aan een koppeltje in het nabijgelegen woon-en-zorgcentrum voor administratieve ondersteuning. Wanneer ik de deur van de ingang naar de derde verdieping opendoe, kijkt een grijze man me verwachtingsvol aan.  “Jij bent Mia niet,” zegt hij teleurgesteld. “U wacht op Mia?” vraag ik overbodig. “Ja, Mia, mijn vrouw… mijn aanverwant,” twijfelt hij. “Ze zal zo meteen wel komen,” sus ik hem. “Neen, ze blijft maar achter, ik ben al uren aan het wachten.” antwoordt hij behoorlijk geërgerd.

Voor me staat een flinke oude man.  Afgaand op het uiterlijk, niet het type dat je in een rusthuis zou verwachten. Op fysiek vlak lijkt hij immers nog heel goed te functioneren. Alhoewel ik niet voor hem kom, wil ik hem niet negeren. “Weet u wat,” stel ik voor en ik wijs in de richting van de televisie die zonder publiek staat te bollen. “Gaat u daar even zitten om wat TV te kijken en dan gaat het wachten veel vlugger. Voor u er erg in hebt, is ze daar.” “Neen, dat wil ik niet,” mokt hij als een verongelijkt kind. “Ik kan wel aan het janken gaan,” vervolgt hij en de daad bij het woord voerend buigt hij zich voorover en laat zijn hoofd snikkend op de balie zakken. Binnen afzienbare tijd herpakt hij zich echter, wandelt bij me weg en roept zijn Mia.

Ik stap binnen bij het echtpaar dat op mijn komst zit te wachten. Een kwartiertje later wordt er op de deur geklopt. “Is Mia hier?” vraagt de wachtende man. “Nee, die is hier niet,” antwoordt de bewoonster gelaten. Terwijl hij de deur achter zich dichttrekt, vertelt ze me dat zijn zoektocht dagelijks kost is, ook ooit ’s nachts.

Eenzaamheid, wanhoop, machteloosheid, onrust, angst, onzekerheid… een schrijnende situatie.

Mijn moeder heet ook Mia. Wordt dit het verhaal van mijn vader?

 

 

oogtoepoes

21 Jan

Vroeger was ik een uitgesproken hondenmens. Zolang als ik me kan herinneren, hadden we thuis een hond. Een loslopende hond, zoals je wel vaker ziet op boerderijen, doch nooit een kuitenbuiter. En altijd van het merk ‘bastaard’. Er zaten lieve exemplaren tussen Bobby, Bobby en Bobby. En Astra niet te vergeten, één van de weinige honden die niet Bobby hoefde te heten.

Toen ik ging samenwonen was het gedaan met huisdieren. Op ons appartementje was dat niet mogelijk. En later, toen we een huis kochten, vonden we het niet aangewezen om een huisdier aan te schaffen omdat we veel te weinig thuis waren. Op een keer bracht mijn man echter twee onderkomen katjes mee, die hij, bibberend in een kartonnen doos,  langs het kanaal had aangetroffen. Als fervent hondenmens moest ik er aanvankelijk niets van weten, maar dat heeft slechts enkele uren geduurd. Vanaf dan werd ik een kattenmens. De beestjes mochten overdag binnenkomen, maar ’s avonds werden zij buitengelaten zodat ze op jacht konden gaan. Zo kwam het wel eens voor dat er eentje weken aan een stuk wegbleef, dan plotsklaps weer opdook om vervolgens weer voor een tijdje te verdwijnen. Ik vond het best zo, een dier is een dier en moet je in zijn wezen laten.

We verkochten ons huis om tegenover mijn ouders te gaan bouwen en gingen tijdelijk bij hen inwonen.  Eén kat verhuisde mee, maar de andere was op dat ogenblik spoorloos en werd dus noodgedwongen achtergelaten.  Ik vond het jammer, heel jammer zelfs, maar heb er geen traan om gelaten. Hij was een plantrekker en wellicht zal hij een nieuwe thuis gevonden hebben. De andere kat was heel schuw en is uiteindelijk weggelopen van haar nieuwe stek, mogelijk omdat er ook een hond huisde.

Toen we verhuisden naar onze nieuwe woning, maande ik mijn man aan om geen katten meer op te snorren. We hadden een kapitaal uitgegeven aan gordijnen tot op de grond en lederen zetels, beide nefast voor scherpe nageltjes. Dat weerhield mijn man er niet van om toch weer een verstoten mormeltje met ontstoken ogen mee te brengen. De kinderen waren in hun nopjes. Ik minder, maar Karel, een rosse kater, werd al vlug in mijn hart gesloten en wonder boven wonder liet hij onze gordijnen en zetels met rust.  Hij was een schatje, had meer hondenmanieren dan kattenstreken, in die zin dat hij niet zo eigenwijs was, zelfs vrij goed luisterde en heel aanhankelijk was. Helaas maakte hij me ziek. Het duurde even voordat we de link gelegd hadden, maar de uitslag van de allergietesten was overduidelijk. En het verdict van de specialist onverbiddelijk: het beest moest weg, wilde ik geen astma gaan ontwikkelen. Gelukkig waren mijn ouders, die inmiddels hondloos waren, bereid hem te adopteren zodat de kinderen hem niet hoefden te missen.

Telkens als ik bij mijn ouders de was ging ophangen – ik gebruik hun overdekte wasdraad, nu nog steeds – kwam Karel enthousiast aangerend. Aanvankelijk liet ik me nog verleiden om hem te aaien, maar daar ben ik vlug mee gestopt want de gevolgen lieten zich raden. En zo creëerde ik, weliswaar met pijn in het hart, een afstand. Hoe afstandelijker ik werd, hoe gemakkelijker dit me afging. Als ik met iemands huisdier geconfronteerd werd, zou de eigenaar nooit een dierenliefhebber in me vermoed hebben, zo onverschillig gedroeg ik me na verloop van tijd. Bovendien deed ik alles om contact te vermijden, alsof ik een panische angst voor hun huisdier had of er vies van was.

En toen verscheen zij op het toneel: de oogtoepoes.

Ze had een plekje veroverd op onze vensterbank. Zonder vragen. Opeens was ze er. Volgens mijn vader had ze jaren in de velden geleefd. Ze werd gevoerd door de buren, maar vertoefde duidelijk liever bij ons. Met één oog gluurde ze binnen. Het andere was ze waarschijnlijk kwijt. Het was geen griezelig zicht, het oog was gewoon dicht,  waardoor het leek alsof ze continu knipoogde.

Het is nu ruim een jaar geleden dat we haar voor het eerst zagen. Aanvankelijk letten we er niet zo op, maar na een tijdje begon het op te vallen als ze er eens niet was. Stiekem vond ik het wel gezellig, zo een kat op de vensterbank. Het was duidelijk geen wilde kat van oorsprong, want ze liet zich gemakkelijk aaien en oppakken, door Arte dan, want zelf bleef ik er met mijn poten vanaf. Ik had me voorgenomen om afstand te bewaren en aanvankelijk lukte dat goed. Het heeft maanden geduurd vooraleer ik haar zelf begon te voeren en nog eens maanden vooraleer ik haar voor de eerste keer voorzichtig aaide, waarna ik uiteraard grondig mijn handen waste. Vervolgens ging er weer een tijdje overheen vooraleer ik haar kortstondig binnenliet. Tegen beter weten in hoopte ik met korte contacten resistent te worden, alhoewel me destijds door de specialist werd duidelijk gemaakt dat dit een utopie is. En dat word ik gewaar.  De niesbuien nemen onmiddellijk toe wanneer ze nog maar één poot heeft binnen gezet. Onbedoeld heb ik haar vetgemest (ligt meer aan de kwaliteit van wat ik haar voer dan aan de kwantiteit). Hierdoor en door haar winterpels kan ze de huidige koude goed trotseren. Dus laat ik mijn gezond boerenverstand spreken en blijft ze onverbiddelijk (alhoewel ik het af en toe niet kan laten, hatsjie!!!) buiten.

Al krijgt ze een warm plekje én een foto van haar beste zijde (= mét oog) op deze blog…

 

SONY DSC

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

vragen versus bevelen

29 Dec

Af en toe vraag ik mijn dochter (tweede jaar haarzorg, vierde middelbaar) om mijn haar te föhnen. Oefening baart kunst, nietwaar? Tot haar ergernis ben ik gezegend met dik en veel haar, bovendien voorzien van een flinke weerborstel, waardoor een rechte pony voor mij een utopie is. Moeilijk haar om te drogen, heb ik mijn echte kapster mij laten vertellen. Dus iedere keer als dochterlief mijn haren föhnt, krijg ik dat op mijn brood. Ik heb haar al laten verstaan dat het een kapster niet betaamt om onophoudelijk te klagen over het soort haar van haar klant, maar dat werkt niet.  Eén keer wou ze zelfs het mes in het varken laten steken en liet ze me bijna met een half droge en half natte coupe naar een feest vertrekken. Gelukkig kon ik haar toch tot rede brengen. “Hopelijk ga je later zo niet tekeer tegen je echte klanten,” moet ik telkenmale zeggen. Het antwoordt luidt steevast “maar dat is anders.”

Het is een schatje, onze jongste. En ze heeft recht op haar puberteit. Al twee jaar op rij krijgen we op school te horen hoe aangenaam en beleefd ze is. Deze keer was dat niet anders. Op het rapport stond vermeld: Je bent een beleefde en gemotiveerde leerling. Het is aangenaam om aan jou les te geven.  De volgende lijn, deze waarop de aandachtspunten vermeld worden, bleef blanco. De klassenraad had geen negatieve punten kunnen bedenken.

Al twee jaar op rij komen mijn man en ik glunderend terug van de rapportbesprekingen, zowel bij de jongste als bij de oudste. Niet alleen op schools vlak – ze zitten beiden duidelijk op de juiste richting – maar ook wat hun motivatie en houding betreft, is de klastitularis steeds één en al lof. Blijkbaar werpt onze opvoeding vruchten af. Toch deed de oudste me deze keer verschieten. Even ter herinnering: ze zit in het zesde middelbaar kunstonderwijs en krijgt gonbegeleiding voor een autismespectrumstoornis. Zelf vinden we die ‘stoornis’ nogal meevallen. Bovendien heeft ze de laatste jaren al veel bijgeleerd, vooral op sociaal vlak.

Na de rapportbespreking moest Arte nog een werkstukje ophalen in de afgesloten bibliotheek. Hiervoor diende ze eerst langs het secretariaat passeren om de sleutel op te halen. Mijn man en ik liepen met haar mee. Ik betrap me er op dat ik vaak de neiging heb om het woord te doen. Ze is nogal onhandig in die dingen, maar uiteraard help ik haar daar niet mee. Dus beet ik op mijn tong en liet ik haar begaan.

‘Ik moet in de bibliotheek zijn’, sprak ze de secretaresse zonder enige inleiding kordaat en een beetje bozig toe.  Ik schrok. Het kwam nogal bot en onbeleefd over. De secretaresse keek haar vragend aan waarop Arte, na een betekenisvolle blik van mij, verklaarde dat ze  nog een werkstukje had staan in de bibliotheek.  De secretaresse was uitermate vriendelijk, nam totaal geen aanstoot aan haar gedrag en stelde voor om even mee te lopen, wat zo geschiedde.

Achteraf sprak ik Arte aan op haar gedrag: dat het gebruikelijk is om eerst goeiendag te zeggen ipv meteen met de deur in huis te vallen, als je bij mensen komt die je die dag voor de eerste keer ziet, dat het veel beleefder om in een korte inleiding ‘ik zou in de bibliotheek moeten zijn omdat…’ duidelijk te maken wat je wil vragen en vervolgens je concrete vraag in vraagvorm ‘zou ik de sleutel mogen hebben alstublieft?’ te gieten en niet in een onrechtstreeks bevel, zoals zij dat deed. Gelukkig begreep ze wat ik bedoelde. Ik heb inmiddels gemerkt dat ze haar best doet om er rekening mee te houden.

Achteraf heb ik ook beseft dat onze jongste al langer bezig is met de opvoeding van onze oudste. Als Arte naar de jiu-jitsu gaat, is ze verplicht om haar haar in een staart te dragen. Ze is er echter niet zo  handig in om er zelf eentje te maken, dus kwam ze daarvoor bij mij aanzetten. Ik verwees haar door naar Tia, zij is immers de kapster thuis. De eerste keer leverde dat meteen al een conflict op.   Arte kwam dan bij mij klagen dat Tia niet bereid was om een staart te maken. Bleek achteraf dat zij met een elastiekje voor Tia kwam staan en het enige wat ze uitbracht was ‘Staart!’, waarop Tia antwoordde dat ze een staart zou maken op voorwaarde dat het op een fatsoenlijke manier gevraagd werd.

Dat de jongste doorheeft wat goede manieren zijn, wist ik al. Nu even doorvoeren naar mij, als ze mijn haren nog eens ‘mag’ föhnen. Ik ‘beveel’ het nochtans altijd beleefd, zij het met een retorische vraag. 🙂