Archief | mijnheer doktoor RSS feed for this section

benen met karakter

25 Aug

’t Was bloedheet. Zo heet zelfs dat mijn bejaarde moeder geen lelijke bruine panty’s droeg en schaamteloos haar blote benen, in de lauwe schaduw van een lindeboom, aan de buitenwereld toonde.  Ik gluurde naar het ruwe landschap op haar onderbenen. Een hobbelig bobbelig landschap doorkruist  met blauw-paarsachtige rivieren.  In de loop der jaren leek het nog ruwer geworden te zijn en vooral voorzien van nog dikkere bloedstromen.

Vervolgens keek ik naar mijn eigen benen.  Zevenendertig jaar jonger dan de hare. Echter geleidelijk aan op weg om eveneens een landkaart te worden van een onbestaand gebied. Mijnheer Doktoor wimpelde mijn klaagzang weg toen ik hem erover aansprak. Ik kreeg een uitgebreide medische uitleg over het onnut van een operatie, die de riviertjes moeten doen uitdrogen en de ondergrond moeten effenen.  Verder kreeg ik het advies om in beweging te blijven en hij prees me overvloedig toen hij vernam dat ik nog steeds drie tot vier keer per week mijn benen sneller doe bewegen. Goed voor mijn benen, goed voor mijn cholesterol, goed voor mijn bloeddruk.  Hij vond me een voorbeeldige vrouw, ten minste zolang ik niet bleef zagen over zaken die er in wezen niet toedoen.

Vervolgens keek ik naar de benen van mijn zus.  Vijf  jaar ouder dan de mijne, minstens tien cm langer en ongerept.  De sproetjes niet meegeteld.  Mijn moeder, die als kind vies was van sproeten en daarom weigerde om een ros overmatig besproet klasgenootje een handje te geven, trouwde een sproetenman en kreeg vier sproetenkinderen. Of toch bijna, want de jongste, ik dus, lijk fysiek het meeste op haar en heb dus minder ‘last’ van sproeten dan de anderen.  Sproetjes zijn leuk, zolang je er niet uitziet alsof een zwerm vliegen je bescheten heeft.

Tijdens de derde ‘vervolgens’ maakte ik luidop een opmerking over de lelijke benen van mijn moeder en mijn vrees dat de mijne deze ooit zullen evenaren.  “Zo’n benen zijn niet mooi,” stelde ook mijn vader vast.  “Maar ach, ik doe haar er toch niet voor weg.” En ondertussen kneep hij mijn moeder liefdevol in haar rechterknie.  Ze giechelde zachtjes. “Moeke had ongelooflijk gladde benen voor haar leeftijd. Er vielen zelfs geen fijne rode lijntjes op de bespeuren,” sprak mijn moeder haar bewondering uit voor de benen van haar schoonmoeder, die bij ons inwoonde tot ze stierf. Waarmee het onderwerp werd afgesloten.

Enkele uren later kuierden mijn man en ik naar huis.  “Waarom kan ik niet de benen van mijn grootmoeder hebben?” mopperde ik opnieuw. “Ach, ik vind de benen van je moeder niet lelijk.  Ik vind het eigenlijk best wel fascinerend om te zien hoe die aders lopen.  Het integreert mij om te zien hoe een mens technisch in elkaar zit.  Neen, ik vind dat echt niet storend.”  En dan besloot mijn man: “Dat zijn tenminste benen met karakter!”

Beter had hij me niet kunnen troosten.

over gênante aandoeningen en valse beschuldigingen

26 Feb

Bijna was ik vergeten dat ik nog een vraag moest stellen en ook bijna welke deze zou zijn, zó banaal is ze.  Maar ik zal er geen doekjes om winden, ik ga het niet mooier verwoorden dan het is en ik zal ze niet in schrijftaal formuleren, maar gewoon platweg in spreektaal.  Dat is tenslotte toch nog de meest klare taal.  Beste bloglezer, hier komt mijn persoonlijke vraag, waarop ik eigenlijk geen antwoord behoef.  Ik heb dit nochtans heel duidelijk gemaakt in de vorige tekst, maar blijkbaar lees je daar makkelijk overheen aan de reacties te zien…… Lieve lezer… heb je al gekakt vandaag? Awel, ik ook en ik heb er zelfs geen traantje bij hoeven te plengen.  Ongeveer 14 jaar geleden was dit geheel anders.  Ik was voor de eerste keer zwanger en liet me ijzerpillen aansmeren door de gynaecoloog.  Vanaf toen liep er echter niets meer gesmeerd.  Ik raakte zodanig geconstipeerd dat ik op den duur telkens wenend op de plee belandde, als ik weer eens moest. Zo zeer deed dat.  Uiteindelijk bezocht ik ten einde raad mijn huisarts in de hoop dat hij me van mijn kakongemak zou kunnen verlossen.

Daar lag ik dan, op de onderzoekstafel, in een onflatterende positie.  Ik gebood mijn dokter om enkel te kijken en zeker niet te voelen, want dan zou het niet alleen mijn, maar vooral zijn beste dag niet zijn. Mijnheer doktoor stelde zich deze keer zeer empathisch op, waardoor het letterlijk pijnlijk duidelijk werd dat dit een ernstige zaak was. “Ik neem aan dat ik speen heb”, diagnosticeerde ik mezelf. “Ik wou dat ik dàt kon zeggen”, antwoordde mijnheer Doktoor “maar dit is veel ernstiger.  Je hebt een ‘prolapsus ani’.  Zes jaar heb ik de Latijnse gedaan om desondanks niet te weten wat hij bedoelde.  Ik moet hem nogal dom aangekeken hebben want hij legde me nogal simplistisch uit dat ik mijn darm deels had uitgekakt. “Dit is niet goed”, zei hij “je moet kost wat kost vermijden dat dit erger wordt”.  En om zijn stelling kracht bij te zetten nam mijn arts, die zijn macaber gevoel voor humor herwonnen had, een medische encyclopedie van zijn boekenrek en liet me foto’s van achterwerken zien waarop menig baviaan jaloers zou zijn.

Ik moest slikken en wendde mijn hoofd af. “Om zulke taferelen te vermijden moet je de uitstulping naar binnen duwen”, grapte mijn dokter. Althans dat dacht ik, maar het bleek geen grap te zijn, doch pure horror.  Mijnheer doktoor  was bloedserieus.  Hij gaf me nog enkele tips over hoe ik dit moest aanpakken en toen ik zijn praktijk verliet kon hij het toch weer niet nalaten om te zeggen dat ik het alleszins ‘goed in de gaten’ moest houden.

Ik maakte dankbaar gebruik van onze ouderwetse bidet, waarover wij beschikten in onze vorige woning.  Het water zou de pijn verzachten, volgens mijnheer doktoor.  De pijnmildering was zo goed als nihil. Doch veel erger was het feit dat ik niet slaagde in mijn missie.  Telkens als ik dacht terrein gewonnen te hebben, floepte de bloemkoolachtige uitstulping terug naar buiten.  Weeral ten einde raad riep ik deze keer de hulp van mijn wederhelft in.  Ik schonk hem mijn volledige vertrouwen en vroeg hem om de weke uitpuiling langzaam terug te duwen.  Zoals ik van hem kon verwachten deed  hij dit heel voorzichtig, volgde mijn instructies – even stoppen, doe maar verder  – nauwgezet op, maar vanaf het moment dat zijn vinger loste, gleden de rozige knobbels terug naar buiten. Niet alleen uit pijn, maar vooral uit radeloosheid eindigde dit opnieuw in een eindeloos tranendal van mijnentwege en dit deed mijn man, op zijn beurt ten einde raad, naar de telefoon grijpen.

Mijnheer doktoor arriveerde nog geen kwartier later en schrok zichtbaar van het behuilde hoopje ellende dat hij aantrof. Hij luisterde naar mijn verhaal en concludeerde vervolgens dat hij me medicatie zou voorschrijven om me uit mijn lijden te verlossen. De medicatie zou zorgen voor ontzwelling, volstrekt onschadelijk zijn voor de baby en op korte termijn werken.  “Waarom hebt u dat deze voormiddag dan niet voorgeschreven?”, reageerde ik lichtjes verbolgen. “Tja, als je tanden op je gat had gehad, dan had je me gebeten.  Ik wist niet dat het zo erg was en dat je er zo zwaar tilde. We hebben er samen nog om kunnen lachen.” Van mijn kant nogal groen ja, maar blijkbaar is hij kleurenblind. Vervolgens wendde hij zich tot mijn man en sprak hem vermanend toe. “En jij moet er rekening mee houden dat je vrouw zwanger is.  Veel vrouwen hebben dan minder behoefte aan sex, zeker als hun buik in de weg zit, maar dat betekent daarom niet dat je haar anaal moet benaderen!” Mijn man en ik keken elkaar verbouwereerd aan. “Dokter, nu moet u eens goed naar mij luisteren”, schoot mijn partner vervolgens in de verdediging “aan die kant ben ik nooit geweest en daar zal ik ook nooit komen.”  De dokter keek naar mij, zag mij bevestigend knikken en verliet vervolgens niet geheel overtuigd onze woning.

“Wat denkt die kerel wel niet van mij”, reageerde mijn partner verontwaardigd toen mijnheer doktoor de deur uit was.  En vervolgens schoten we samen in een lach omdat we desondanks de humor van de situatie konden inzien.

Enkele dagen later hoefde ik niet meer te huilen tijdens het kakken en werd dit terug een banaal feit. Beste bloglezer, neem het van mij aan, dergelijke banaliteit blijft best een banaliteit en vergeet vooral de B niet!

(vervolg) … tieten!

31 Dec

(vervolg van ‘help, hèlp, HELP, HELLEP, ik krijg…)

Daar zat ik dan, in de wachtzaal van mijnheer dokter Doktoor, samen met mijn dollyklonen.  Ik probeerde het ongemak te vergeten door in de boekskes te bladeren.  Misschien konden de roddels wel voor enige afleiding zorgen.

Yep, het werkte goed, maar na ongeveer anderhalf uur wachten, begon de spanning toch toe te nemen, niet alleen ter hoogte van mijn longen, maar ook in mijn hoofd.  Stel dat mijn baby nu honger had.  Hoe zou haar papa haar kunnen paaien? Ze had nog nooit een poedermelkske gedronken.  We hadden zulk goedje zelfs niet in huis.  En tegen honger bestaat geen medicijn, enkel eten helpt.  In gedachte hoorde ik haar hartverscheurend huilen en zag ik hoe mijn man haar tevergeefs probeerde te troosten.  Ik begon me inwendig op te jagen. Mijn nervositeit steeg exponentieel met de minuut.

Toen ik eindelijk aan de beurt was, liep ik de dokter, die de deur galant openhield, straal voorbij het dokterscabinet binnen en vooraleer hij er erg in had, pramde ik mijn joekels in zijn gezicht. Neen, beste bloglezer, zo ging het net niet, maar ik wou hem geen kans laten voor de gebruikelijke smalltalk bij het begin van een consultatie.  Dus stak ik meteen van wal.  “Dokter, ik heb geen tijd.  Wil u me vlug onderzoeken, want mijn baby heeft honger.” “Hoezo, je baby heeft honger?” “Ik geef nog steeds borstvoeding. Voor ik vertrok wou ze echter niets eten en inmiddels ben ik al twee uur hier,” ratelde ik.

“Wat ben jij een slechte moeder,” antwoordde de olijkerd en laat dat nu nét een reactie zijn die ik kon missen als kiespijn.  Dapper negeerde ik deze opmerking en herviel in herhaling.  Doch ook mijnheer Doktoor papegaaide zichzelf na. “Maar jij bent écht een slechte moeder!”  Deze keer was ik wel van mijn melk en bijgevolg gaf ik hem onbedoeld van hetzelfde laken een pak. Ik begin immers te huilen, te huilen…  Ik had het niet meer onder controle.  Er leek geen einde te komen aan mijn hormonale tranenstroom.  Mijnheer Doktoor keek me lichtjes onthutst aan. Prompt begon hij me te onderzoeken. Naast een medicatievoorschrift kreeg ik bovendien de wijze raad om mijn man op mijn blote knieën te danken.   Want door de juiste diagnose te stellen en me vastberaden door te verwijzen, had hij me heel wat miserie bespaard.

Op het einde van de consultatie deed mijnheer Doktoor een onhandige poging om te achterhalen of ik met een postnatale depressie kampte.  Met een gebroken stem ontkende ik zijn psychologisch geleuter.  Eigenlijk wou ik zeggen : “Neen, ik heb alleen maar last van een dokter met een vervaarlijke grote muil”, maar het nasnikken en de elementaire beleefdheid, die ikzelf met de moedermelk had binnengekregen, verhinderden dit. Met rode ogen en dito tiet verliet ik het cabinet en haastte ik me naar de eerste de beste apotheker en daarna naar mijn hongerige baby.

Ze heeft het overleefd en ik ook.  13 jaar later schalt het tietenlied van “kinderen voor kinderen” door ons huis.  In een totaal andere context, maar wel de rechtstreekse aanleiding voor dit blogstukje.

http://youtube.com/watch?v=90BnU4CRUSI

Hoe het inmiddels met mijn tieten gaat? Ze hebben terug hun normale kleur en zijn verworden tot eerder ietwat slappe balonnen, euh balonnetjes. Kortom, ze stellen het goed en voor hun leeftijd en voorgeschiedenis zien ze er best wel ok uit.

’t Is maar dat je het weet!

help, hèlp, HELP, HELLEP! Ik krijg…

31 Dec

De geschiedenis herhaalt zich vroegtijdig.

Onlangs kweelde onze jongste uit volle borst(jes) binnenshuis het refrein dat ik 13 jaar eerder in het moederhuis had bezongen… ’t Is te zeggen, in gedachten toch.

Iedere moeder die haar kroost zelf ter wereld heeft gebracht, herkent wellicht het volgende tafereel.  Enkele dagen na mijn eerste bevalling kon ik niet meer op mijn zij slapen.  Deze pose werd immers verhinderd door een ti(e)tanische  zwelling van mijn ‘longen’. Mijn man, waarvan ik altijd gedacht had dat hij een voorkeur had voor dikke konten (en daarmee was hij aan het juiste adres), bleek zich ineens te ontpoppen tot een ware tettenman (den overloper).  Nooit eerder had ik hem zo enthousiast gezien, zelfs niet tijdens de memorabele bevruchting. Hij moest er echter met zijn poten vanaf blijven!  Mijn boobies hadden een nieuwe functieomschrijving gekregen en manlief paste absoluut niet in dat plaatje.

Eenmaal mijn tietenvandolly(parton)klonen aan hun nieuwe opdracht gewend waren, verliep de borstvoeding vloeiend.  ’t Was toch minder vanzelfsprekend dan dat ik voorafgaandelijk gedacht had. Doch vanaf het ogenblik dat onze dochter, figuurlijk, beet had hoe het moest en ik ook,  was het (h)euvel binnen de kortste keren verholpen en bleek het de beste uitvinding sinds… Ja, sinds wat eigenlijk?

Enkele maanden later was mijn baby tijdelijk zo verzadigd dat ze geen pap meer kon zeggen. Genadeloos liet ze me met mijn melkvoorraadje zitten.  Helaas bleef ik, zelfs zonder afnemertje, gewoon verder produceren, alsof ik instond voor de voedselbevoorrading van een druk bezette crèche.  Het gevolg liet zich raden. Spoedig zat ik weeral met twee gespannen balonnen, die net niet op ontploffen stonden.  Een licht kneepje erin en ik kon verder melk spuiten dan venten kunnen piesen in een wedstrijdje omterverst.

Het ging zelfs van kwaad naar erger.  Zo erg dat ik na het eten mijn man sméékte om mij uit de  nood te helpen.   Afkolven had ik nog nooit gedaan – ik had trouwens geen melkmachine voorhanden-, de baby wou niet drinken en ik stond op ontploffen. Er was geen ontkomen aan, manlief moest eraan geloven: ik legde hem aan. Het was een bespottelijk zicht en door mijn ellende heen schuddebuikte ik van het lachen.  Ik besefte ten volle dat ik op deze manier mijn productie wellicht nog meer zou opdrijven, maar op dat moment kon me dat geen barst schelen want… ik stond op barsten.

Aanvankelijk was mijn man laaiend enthousiast.  Eindelijk kreeg hij terug een plekje in de vernieuwde functieomschrijving.  Bovendien was hij nieuwsgierig naar de smaak van dat witte goedje. Dat bleek echter een tegenvaller van jewelste te zijn, net met water aangelengde melk die daarenboven bovenmatig gezoet was.  Van de biertjes die de producente dronk i.f.v. het productieproces was er geen hopje te bespeuren.  Na enkele slokjes was hij het goedje zo beu als kouwe pap. Ik smeekte hem echter om verder te gaan om mijn ongemak te verlichten.

Ongeveer anderhalve liter later (een ruwe schatting, je mag dit met een zoutmijn nemen) smeekte mijn man mij om te mogen stoppen.  Hij had net een volledig middagmaal achter de kiezen en als toetje kon dit wel tellen.  Hij werd er onpasselijk van.  Routineus liet ik hem een boertje doen over mijn schouder.  Al zijn inspanning ten spijt, was mijn probleem niet verdwenen uit het melkwegstelsel.  Integendeel zelfs, mijn borsten voelden pijnlijker aan dan ooit tevoren.

Mijn echtgenoot knipte de leeslamp aan en met een kennersblik aanschouwde hij zijn favorieten.  Hij stelde vast dat één van hen nogal bloosde en precies behoorlijk hard aanvoelde. “Volgens mij kamp je met een borstontsteking,” diagnosticeerde hij gedecideerd.  Geen tegenspraak duldend, stuurde hij me op staande voet naar mijnheer Doktoor.
Ondertussen sliep onze baby vredig verder.

wordt vervolgd…

the beauty and the beast

30 Dec

Nooit gedacht, dat ik de wachttijden bij de dokter nog eens zou gaan missen.  Ik zag er altijd tegenop om naar de dokter te gaan, want je wist op voorhand dat je er twee volle uren mee zou verspelen.  Nu hij eindelijk op afspraak werkt en ik slechts maximum 5 minuten in de wachtzaal hoef te verpozen, heb ik – raar maar waar – heimwee naar de lange wachttijden. Ach, wellicht niet zozeer naar de lange wachttijden an sich, maar vooral naar de sfeer in de voorheen gevulde wachtkamer.

Oké, toen ik in de overvolle wachtzaal zat, mocht ik mijn gedachten niet laten gaan naar de zwevende bacteriën en virussen voor wie het constant party-time was. Gemakkelijke prooien, die zieke mensen, maar ze vonden het helemààl dolletjes als ze gezonde mensen konden laten delen in de feestvreugde door hen onzichtbaar te betrekken in hun oneindige orgieën. Ik trachtte dit beeld uit mijn fantasie te bannen als ik de Knack opzij schoof om naar de Story of Dag Allemaal te grijpen, mijn excuusliteratuur als ik, al dan niet ziek, ruim twee uur in de wachtkamer van mijnheer doktoor vertoefde. Ik negeerde de gedachte aan de medepatiënt die net naar het toilet was gespurt met het vliegend schijt en hoopte terzelfdertijd uit de grond van mijn hart dat hij zijn handen grondig gewassen had, als ik ontdekte dat hij, na zijn terugkeer, net een boekje doorbladerde dat ik nog diende door te nemen om up to date te blijven in roddelland, zij het met enige maanden vertraging.

Af en toe ontsponnen er zich, aheum, interessante gesprekken in de wachtzaal. Willens nillens vernam ik welke vervelende kwaaltjes de anderen teisterden of gelaten aanhoorde ik de actueelste dorpsroddels.  Ik spitste echter mijn oren, als het mijnheer doktoor himself betrof. Hij is immers nogal een controversieel figuur: je moet hem of je moet hem niet. Punt. Ik behoor tot de eerste categorie.  Hij heeft nogal een apart gevoel voor humor, humor met een zwart kantje, dat gezien de aard van zijn job niet door iedereen geapprecieerd kan worden.  Ik herinner me dat ik als kind bij hem kwam met een vervelende schimmelinfectie tussen mijn teentjes, vermoedelijk opgedaan tijdens het schoolzwemmen.  “Die zullen we moeten afzetten,” wees hij  met twinkelende ogen naar mijn tenen. Of als je ergens een bobbeltje had. ” ’t Zal wel kanker zijn,” was dan zijn eerste verdict. Vooral dergelijke uitspraken stuitten nogal veel mensen tegen de borst.  Toch zat zijn wachtkammer altijd en immer barstensvol.  Hij had -euh ‘heeft’ nog steeds eigenlijk – immers ook de reputatie om bedreven te zijn in het stellen van de juiste diagnose, geen onbelangrijke kunde in zijn stiel.
Bovendien nam hij steeds voldoende tijd voor zijn patiënten, ongeacht de wachtrij. Dit werd hem door de wachtenden niet altijd in dank afgenomen.  Zo ook niet door Jaak, een vettig dorpsfiguur, die zich mateloos ergerde toen hij wel héél lang tijd nam voor een patiënte. “Dat dùùrt nogal!” kloeg Jaak. “Maar ik heb het wel gezien. Mijnheer doktoor heeft blijkbaar ook geen stront in zijn ogen.  Dat was een ongelooflijk lekker ding dat daar bij hem binnen stapte.  ‘k Kan goed begrijpen dat het zolang duurt.  Hij wil ze niet alleen aan de binnenkant onderzoeken, maar ook aan de buitenkant.  En wij maar wachten….”  Een aantal wachtenden, waaronder ikzelf, begonnen onwillekeurig te gniffelen bij deze uitspraak.  Niet zo zeer omwille van de inhoud, maar vooral omwille van de sappige manier waarop de mottigaard het vertelde.  Mocht ik mijnheer doktoor niet beter kennen, ik zou er met beide voeten intrappen.

Toevallig kwam ik Jaak enkele weken later tegen in een warenhuis. “Seg, weet je nog die keer bij de dokter?” begon hij.  Ik knikte een beetje ongemakkelijk.  “Weet je wat hij tegen mij zei, toen ik binnenkwam?” vervolgde hij onverstoorbaar. “Hij zei: zet je neer, LELIJKE BEEST! Het zal  niet lang duren bij jou.  Geen denken aan dat ik JOU binnenstebuiten keer.”

“Allez nu,” zegt Jaak.  “Ik maakte toch maar een grapje in de wachtzaal.  Wie zou er gebletsjt* hebben?”
“Geen flauw idee, Jaak” en plots realiseerde ik me, al dan niet toevallig, dat ik mijn portefeuille op het dashbord van de auto had laten liggen. Snel maakte ik me uit de voeten…

Grz

Joke

* Limburgs dialect voor ‘geklikt’