Archief | gênante situaties RSS feed for this section

eigen schuld, dikke bult

12 Okt

Onlangs ontdekte ik op het internet een veiling. Tot mijn spijt was mijn man al vertrouwd met dit systeem, getuige de heldhaftige degens en historische medailles die in ons huis rondslingeren. Zelf kwam ik er bij uit toen ik een goedkoop ticket wou bemachtigen voor onze favoriete sauna en al googelend dus op een veiling belandde. Een kwartiertje later had ik onze inkom betaald en bijna twintig uitgespaard. Een uurtje later bubbelden we erop los. Enkele uren later at ik mijn winst met veel smaak op. Vanaf nu betaal ik nooit meer de volle pot!

Helaas had ik toen de smaak te pakken.

Wat werkt zoiets verslavend, zeg. Ik bood al op een resem batterijen, toiletpapier om een jaar lang te kunnen schijten, nieuwe saunabonnen,… Doch bovenal maakte ik kennis met mijn minst fraaie en voorheen onbekende kant: opbieden om andere mensen geld uit de zakken te jagen… Wat een prettig tijdverdrijf is me dat!

Bijna ging het mis.

Zo bood ik vijf euro op de toegang voor vier personen tot het openluchtmuseum in Bokrijk, inclusief de sixties tentoonstelling, die we nog niet gezien hebben. Normale kostprijs net geen dertig euro. Maar ik ontdekte te laat dat het slechts tot 23 oktober geldig is. Shitterdeshitterdeshit. Vijf euro is natuurlijk geen kapitaal, maar er komt nog evenveel aan administratiekosten bij en we zouden ons in allerlei bochten moeten wringen om er binnen de gestelde termijn te geraken. Kortom, ik had net zo goed een tientje in de vuilnisbak kunnen gooien. Gelukkig ontdekte ik deze morgen dat iemand anders mijn bod had overtroffen. Oeferdeoeferdeoef. Een ezel stoot zich geen twee keer aan dezelfde steen.

Of toch?

Mijn bod van één luttele euro (het minimum) om één attractie te doen (met acht personen weliswaar) in het klimpark van Zips en Robes te Ewijk in Nederland werd helaas aanvaard. Willen of niet, ik zal dus zes euro moeten ophoesten. Geen haar op mijn hoofd dat eraan denkt om ernaar toe te gaan, ook al  heb ik nog bijna vier maanden bedenktijd.  Niet alleen ben ik niet meer zo kloek om me aan zulke waaghalzerij te wagen, maar bovendien is het 128 km rijden van hier. Toch wel wat ver om een half uurtje doodsangsten uit te staan.

Uiteraard zal ik mijn plicht voldoen en betalen wat ik betalen moet. Graag wil ik er iemand blij mee maken, misschien een beetje om mijn slecht karakter te compenseren. Een liefhebber krijgt mijn miskoop gratis en voor niets! Ik stuur je de voucher zelfs op eigen kosten op. Maar een blogverhaaltje achteraf zou wel tof zijn.

Iemand?

leut, leuter, leutst

3 Mei

Mijn uiterlijk strookt niet met mijn gevoel voor humor.   Ik heb de neiging om nogal boos, of liever streng, te kijken, ook al ben ik het merendeel van de tijd goedgezind en associeer ik mezelf eerder met een zotte doos dan met een zuurpruim.

Gisteren kon er echter meer dan een lachje vanaf. Zelden zo een leut gehad.

Complexloos togen mijn man ik  naar een saunacomplex. Een naaktsauna. Het relaxen deed deugd, veel deugd, temeer omdat we de dag voordien een halve marathon hadden gelopen in Luxemburg. Een aanrader, een puike organisatie bovendien, maar wel een heuse kuitenbijter met al die niveauverschillen.

Op een gegeven ogenblik kozen we ervoor om in de zoutsteensauna te relaxen.  Zo ziet deze er uit. Klik ook op de foto rechtsonder om de binnenkant te aanschouwen, dan hoef ik mijn tijd niet te verspillen aan een omslachtige omschrijving. Alle bankjes waren nagenoeg bezet. Er was nog één plaatsje bovenaan beschikbaar, en één plaatsje beneden. Ik installeerde me beneden, omdat het me niet zo flatterend leek om in mijn evakostuum naar boven te kruipen en liet dat ‘genoegen’ over aan mijn man. “Hoe moet ik boven geraken?” fluisterde hij. “Hierlangs,” gebaarde ik, ervan uitgaand dat hij tussen twee zwetende lijven de onderste bank  als een opstapje zou gebruiken.

Dat was echter buiten de lenigheid van mijn man gerekend, die bijna vijftig is (overmorgen om precies te zijn) en het pezige – lees: schrale – lijf heeft van een marathonloper, die hij overigens niet is, maar dit terzijde.  Hij wierp zijn handdoek handig  over de vrouw die op de onderste trap lag te soezen, twijfelde geen seconde en sprong in één snelle beweging over haar heen zonder haar te raken. Sierlijk als een wild dier. Al ben ik er nog niet over uit welk dat mag zijn. Ik lag beneden en was getuige van dit schouwspel. Was ook getuige van zijn bungelende klokkenspel dat tijdens de sprong iets te enthousiast naar de knappe benedenbuur zwaaide, al was het met een slap handje. Toen ik me onwillekeurig voorstelde wat deze actie betekend had voor de vrouw in kwestie, schoot ik in onbedaarlijke lach. Een lach die al vlug ontaardde in een slappe lach. Die tot ergernis van enkelen en tot vreugde van anderen slechts voor korte tijd wegebde en vervolgens weer aanzwol.  Het beterde er niet op toen ik me even verlegde en mijn billen bijna verbrandde aan een hete zoutsteen.

Ik dacht nooit meer te kunnen stoppen met lachen.

Ten einde raad ben ik luid  grinnikend vertrokken en heb ik de allerheetste sauna uitgekozen om af te koelen.

 

PS Heb ik geen geni(t)ale titel verzonnen?

 

 

 

 

 

noem het gebrek aan orde, ik noem het een onomstotelijk bewijs van eskaagee*

1 Dec

Helemaal zen.

Helemaal zen ben ik  terwijl mijn collega’s rondlopen als een stelletje koploze kippen, omdat ík mijn autosleutel niet vind, terwijl ik op het punt sta om naar huis te gaan. “Schud je handtas leeg”, klinkt het en er wordt geen genoegen genomen met mijn antwoord dat ik dat al twee maal gedaan heb. Ondanks lichtjes tegensputteren van mijnentwege blijft mijn collega ongegeneerd toekijken terwijl nutteloze kassabonnetjes, koperen muntjes, apart verpakte maandverbandjes in  meerdere diktes, een eenzame tampon en nog allerhande prullaria rusteloos een rustpunt zoeken op mijn bureau. Geen autosleutel te bespeuren, wel een licht plaatsvervangende schaamte bij mijn collega, omdat mijn onnauwkeurig gecamouffleerde slordigheid zo expliciet tentoongesteld wordt.

Helemaal zen blijf ik. Ah ja, want ik ben zulke toestanden gewoon.

“Stop met zoeken, ik trek mijn plan wel”, maan ik mijn collega’s gewetensvol aan tot kalmte. Zij moeten toch niet de dupe worden van mijn overmatige nonchalantie.  Maar ze weten van geen ophouden, de schatten.  Er wordt gezocht op de gekste plaatsen: de frigo, waarin ik mijn middageten bewaarde, de tjokvolle bureaukast, waarin ik net voor mijn vermeende vertrek nog snel een paar dossiers propte, zelfs het nauwelijks gebruikte papiermandje wordt meedogenloos omgekieperd. Ondertussen wordt het vuur aan mijn schenen gelegd : wat had ik als eerste gedaan bij binnenkomst?, was ik nog op huisbezoek geweest?, wanneer had ik mijn sleutel voor de laatste keer gezien?, stak hij misschien nog in het contact? (neen, dat had ik uiteraard al gecheckt), kon iemand anders hem per ongeluk meegenomen hebben?

Die laatste vraag had ik me zelf ook al gesteld en moest ik eigenlijk beamen.  ’s Voormiddags had ik onverwacht bezoek gekregen van mijnheer Citroen, één van mijn klanten wiens budget ik beheer. Zijn naam, uiteraard fictief, verwijst gelukkig meer naar het merk van zijn auto dan naar zijn zuurtegraad. Net als bij mij. Misschien had hij per ongeluk mijn sleutel, een duplicaat van de zijne, meegenomen. Ondanks deze zware vermoedens weigerde ik hem te bellen. Mijnheer Citroen is immers van het nerveuze type. Het feit dat hij de laatste tijd bovendien wat verward begint te worden, heeft zeker geen kalmerend effect op hem, integendeel. Ik wou hem dus geenszins lastigvallen met iets waarmee hij hoogstwaarschijnlijk niets  te maken had. Hij zou me dan toch allang gebeld hebben, niet? Mijn nutteloze telefoontje zou zijn nervositeit alleen maar doen toenemen.

Een half uur later en nog steeds sleutelloos, beslis ik dan toch maar om mijnheer Citroen te contacteren. Ik val niet meteen met de deur in huis en doe alsof ik hem nog over ’t een en ’t ander moet inlichten. Wat ook het geval is, maar niet zo dringend dat ik hem daarvoor per se nog dezelfde dag moet bellen. Net voor hij wil inhaken, vraag ik langs mijn neus weg of hij misschien per ongeluk mijn autosleutel meegenomen heeft. “Weet ik niet,” antwoordt hij direct, “maar ik had wel ineens twee sleutels bij toen ik thuiskwam.”  “Zou het mijn autosleutel kunnen zijn,” pols ik zachtmoedig. “Dat zou best kunnen. Ik denk het wel.” “Kan u hem dan brengen, want ik kan hem niet komen halen, ik kan immers niet weg zonder autosleutel.” “Ja, dat zal ik doen, maar dan kom ik onmiddellijk, want ik moet om 17u45 ergens zijn.” “Dat zou fijn zijn, mijnheer Citroen. Alvast bedankt.”

Een kwartiertje kruip ik lichtjes verzuurd in mijn citroentje. Ik had bijna een uur vroeger thuis kunnen zijn, maar weiger medelijden te hebben met mezelf. Eigen schuld, dikke bult. Jammer dat ik geen ezel ben…

*stressbestendigheid, klantvriendelijkheid en geduld

eerst met en daarna zonder verpinken

5 Okt

We handhaven hier een vrij traditioneel rollenpatroon en m.i. is daar niets mis mee. Manlief doet het tuinonderhoud, kluswerken, enz. en ik doe de poets (samen met een poetsvrouw), de was en de plas.  In de potten roeren we allebei zoals dat uitkomt met ons werk. Alleen wat de auto aangaat, keren we de zaken een beetje om: mijn man doet hem blinken en ik doe hem keuren. Bij de autokeuring uiteraard.  Dit jaar was het weer van dattum, voor de tweede keer in zijn voorlopig roestvrije leven.

Sinds dit op afspraak kan, hoef je geen twee uur meer aan te schuiven. Stiekem een beetje jammer, want ik heb tijdens deze wachttijd ooit eens een lekker ijsje gegeten, verkrijgbaar bij een ijskaruitbater die keurig langs de keuring geparkeerd stond om oververhitte bestuurders verkoeling te bieden, weliswaar met commerciële doeleinden, maar het smaakte er niet minder om.

Vorige week moest ik om 8u15 daar zijn.  Ik was zowaar één volle minuut te vroeg.  Op stipt het afgesproken uur mocht ik de stinkende hal betreden. Berijden dus. Om 6u45 ’s morgens had ik nog vlug op nuchtere maag, voor mijn man op de fiets sprong om zich naar zijn werk te begeven, gevraagd om me te wijzen hoe de mistlampen werken – als ik ze nodig heb en dat is dus sporadisch, loopt dat altijd de mist in – en waar het klepje zit om de motorkap open te doen. Voor mijn doen was ik dus verdomd goed voorbereid.

Fase één had ik al goed doorlopen – al heb ik even naar mijn roos formuliertje moeten zoeken – en ik mocht doorrijden naar fase twee, voor de controle van de lampen e.d.  Terwijl ik zat te wachten, vroeg ik me plotsklaps af hoe mijn pinkers – allez, die van de auto natuurlijk, zelf heb ik er geen – werken. Om mezelf gerust te stellen, begon ik onopvallend te pinken, maar het enige wat bougeerde waren mijn ruitenwissers die over de droge voorruit schrompten.  De tweede en vervolgens derde poging leverden hetzelfde ongewenste resultaat op en mijn stresscurve schoot pijlsnel de hoogte in.  Ik startte de auto om stiekem chauffeurke te spelen in de hoop dat het me dan terug te binnen zou schieten.  Ik veinsde dat ik linksaf wou slaan en weeral knikten mijn ruitenwissers ijverig neen. Ten einde raad begon ik een plausibele verklaring te zoeken voor mijn domheid, maar ook daar bleek ik te dom voor te zijn.

De keurder was in een druk gesprek verwikkeld met een collega. “Lampen,” riep hij plotsklaps en ik schoot in actie. Hij knikte goedkeurend. “Faren” Weer een instemmend, doch afwezig knikje, alsook bij de mistlampen en de rem. Had hij eigenlijk wel gezien wat ik deed? “Pinkers” vervolgde hij en zonder verpinken (geweldig woordspeling, al zeg ik het zelf!) liet ik de vergeten lampjes eerst links en daarna rechts opflakkeren. Oef.  Niet in affronten gevallen. Tenminste in de veronderstelling dat hij mijn verwoede pogingen niet als dusdanig gepercipieerd heeft.

Mezelf kennende, volgend jaar waarschijnlijk weer van dattum.

kent er hier iemand ene Joke?

29 Jan

Hij haalt zijn schouders op en knikt ja als ik hem vraag of we wel in de juiste rij staan. Achteraf besefte ik dat ik puur uit gemakzucht het schouders ophalen verdrongen had en het bevestigend knikken meer waarde had toegedicht dan dat het eigenlijk verdiende. Als ik de kans heb, doe ik dat vaak, me verlaten op andere mensen. Dat is gemakkelijk.  Gemakzucht, weet je wel. Bovendien kan je dan ook de schuld op iemand anders steken als het misloopt.  Al ligt dat laatste niet mijn aard. Ja, beste bloglezer,  ik heb ook mijn positieve kanten.

Gelukkig schoot het goed op. We waren buiten in de koude beginnen aan te schuiven en na ongeveer een kwartiertje stonden we al in de brede gang van het vernieuwde funerarium.  Amper een uur voordien had ik haar nog via een privébericht op facebook gevraagd hoe ze eigenlijk heette, haar grootmoeder.  Ik vond het immers een beetje vreemd om de naam van de overledene niet te kennen als je haar voor de laatste, in dit geval ook eerste, keer gaat begroeten. Al ging ik in eerste instantie niet om de overledene mijn steun te betuigen, maar wel haar kleindochter.

Haar kleindochter, Ellen, mijn loopmaatje met wie ik vroeger nog in de lagere school gezeten had. Met wie ik destijds geen biezondere band had, maar bij wie ik ook geen onbehaaglijk gevoel kreeg toen ik haar na ruim twintig jaar opnieuw ontmoette.  Zoveel jaren later bleken we het best wel goed met elkaar te kunnen vinden. Toen ze me persoonlijk berichtte dat er geen avondwake was, maar wel de gelegenheid om te condoleren, vond ik het vanzelfsprekend dat ik dit zou doen, ook al benadrukte ze dat het geheel vrijblijvend was.

Inmiddels waren we bij de grootmoeder aanbeland.  Ik wierp een korte blik op het oude lichaam en mijn kaartje in het rieten mandje, nam de (hoe heet dat ding eigenlijk) ter hand, sopte het deftig in het wijwater en wenste haar, al kruisje gevend, een rit zonder retour naar de hemel. Vervolgens gaf ik de rouwende zonen op rij om de beurt een stevige hand, zoals het protocol dat voorschrijft, ondertussen ‘oprechte deelneming’ mompelend en het even spontane bedankje in ontvangst nemend.

Zo, dat zat er alweer op.”Waar was Ellen eigenlijk?” vroeg de trainer van de atletiekclub die me vergezeld had. “Wat vreemd dat ze niet mee in de rij stond,” merkte hij op. “Helemaal niet vreemd, ze is toch een ‘klein’dochter, het zijn toch de eigen kinderen die langs de kist staan en niet de kleinkinderen.” En terwijl ik dit zei, gluurde ik in de kamer erlangs, waar enkele familieleden en kennissen genoten van een warme kop koffie.  Geen Ellen te bespeuren.

Het begon ons plotsklaps te dagen. We spurtten naar buiten. (We zijn immers niet voor niets bij een atletiekclub aangesloten) Op de venster waren de doodsbrieven geplakt van de opgebaarde overledenen.  Er waren er twee. Lap! Twee families die hun grootmoeder verloren hadden.

En nu?  Rechtsomkeer! Zonder kaartje evenwel. Een fractie van een seconde overwoog ik om het terug uit het mandje te gaan vissen.  Ik zou het vast en zeker terugvinden.  Het had een groter formaat dan gebruikelijk en op de omslag zat er een zwarte stipje, alsof er een vliegje op gescheten had. Maar het mandje stond naast de doodskist van de andere oma, recht tegenover de vijf zonen die ik tien minuten eerder met de gepaste droefenis een hand gegeven had. Not done dus. Zonde van het kaartje.  Omdat ik betrokkene niet persoonlijk gekend had en mijn schrijfsel tot de ganse familie was gericht, had ik het wel wat algemeen gehouden zodat mijn tekst in principe op elke grootmoeder van toepassing kon zijn. Desalniettemin had ik mijn best had gedaan om er toch een persoonlijk tintje aan te geven.   Heel af en toe slaag ik erin om in enkele woorden toch een rake boodschap te noteren.  Maar dat hoeft mijn bescheiden ik jou vast niet te vertellen, beste bloglezer.

De trainer liet er alleszins geen gras over groeien en haastte zich naar de andere rouwkamer. Wacht even, wilde ik nog zeggen, want ik voelde de slappe lacht opborrelen.  Vooraleer ik er erg in had, keek ik echter in de behuilde ogen van Ellen. Op slag was mijn lachneiging onderdrukt. Routineus werkte ik vervolgens het tweede rijtje rouwende familieleden af. Ellen stond als voorlaatste.  Ik gaf haar een warme knuffel. Eigenlijk ben ik daar heel zuinig mee. Als je niet met me getrouwd bent of ik heb je niet persoonlijk gebaard, dan krijg je er gene, tenzij je iemand dierbaar verloren hebt. Je begrijpt dus dat er bijna niemand op een knuffel van mij zit te wachten.

Mijn man vond het alleszins hilarisch toen ik het hem vertelde. Die andere mensen hebben alleszins een fijn kaartje ontvangen, besloot hij. Alleen zal iedereen zich afvragen wie die Joke wel mag zijn.

waarom ik niet in een kasteel woon

10 Nov

Spreekwoorden zijn het zout der taal.  Ik houd ervan, omdat ze een waarheid of wijsheid vaak op een – naar mijn aanvoelen – humoristische manier  uitdrukken. Meestal leid je al uit de woordkeuze de betekenis af, zoals bij ‘de waarheid komt uit een kindermond’ of ‘een man zonder vrouw is als een paard zonder teugels’. Maar soms is het niet zo vanzelfsprekend om de betekenis te achterhalen. Wat dacht je van ‘een man is geen aardappel’. Ik kende deze uitdrukking niet, ontdekte ze bij toeval naar aanleiding van een kleine research voor dit logje. Louter op basis van het woordgebruik had ik de betekenis niet achterhaald, doch ook dit spreekwoord blijkt een waarheid als een koe te bevatten.

Daarnaast bestaan er ook spreekwoorden die – weeral naar mijn aanvoelen – een loopje met de waarheid nemen, zoals ‘over smaak en kleur valt niet te twisten’.  Toch wel, beste bloglezer, toch wel. Immers, uitgezonderd zijn uitmuntende smaak wat betreft zijn partnerkeuze, vind ik dat mijn man op velerlei vlakken een slechte smaak heeft.  Zo wou hij onze jongste dochter ‘Geneviève’ noemen.  Stel je voor! Geschreven ziet het er nog te pruimen uit, vind ik, maar uitgesproken trekt het op niks, vooral de è-klank vind ik afgrijselijk.  Het brave kind is me tot heden nog steeds dankbaar dat ik er een stokje voor gestoken heb.  De namen van onze kinderen zijn het resultaat van een compromis. Tot deze overeenkomst komen bleek echter een zwaardere bevalling dan de bevallingen zelf.

Verder hebben we een totaal andere goesting qua interieurinrichting.  Mijn man ziet graag logge meubels met uitgestoken jachttaferelen of zo’n verfijnd zwart blinkend Chinees kastje met kleurrijke ingelegde afbeeldingen. Jakkes!  In een Chinees restaurant kan ik het wel appreciëren, zo een zwart gelakt kastje, maar niet in mijn living, no way! Ik houd het meestal het liefst zo simpel mogelijk, zonder kantjes en franjes, rechttoe, rechtaan. Maar ook niet té strak, want dan vind ik het vaak te steriel ogen.

In ieder geval, in de tijd van de franken (ongeveer zestien jaar geleden) trokken we naar een veiling.  We woonden nog bij onze ouders en  hadden dus een zee van tijd.  Op voorhand waren we naar een kijkdag geweest, niet dat we iets nodig hadden, gewoon just for fun.  Er was veel antiek te bezichtigen, onder andere mooie bronzen beeldjes,  kunstwerkjes à la Rodin. Mijn lief wou ook nog bij de handgeknoopte tapijten gaan loeren. Omdat hij er al eentje had meegebracht uit Nepal en dit voldoende was voor onze toekomstige huurwoning, was ik content dat ik hem kon overtuigen om dit gedeelte over te slaan. Te meer omdat ik de enkele exemplaren die ik had gezien maar niks vond. Ze waren immers voorzien van een veel te drukke print, al moet ik bekennen dat ze wel kunstig gemaakt waren.

We hadden nog nooit een veiling meegemaakt. Dat gebeuren op zich was dus al een enorme belevenis.  Aanvankelijk vatten we achteraan plaats.  Maar omdat we op die manier de voorwerpen die geveild werden niet goed konden zien,  kozen we al vlug een nieuw stekje op de tweede rij.  Het veilen ging razendsnel.  Eerst werden de voorwerpen ostentatief in de lucht gestoken en vervolgens volgden discrete handjes. Het werkte aanstekelijk.  Mijn handen begonnen te jeuken en ik moest me beheersen om niet spontaan mee te doen.  Sommige objecten werden aangeboden aan twintig frank en gingen uiteindelijk van de hand voor honderd frank. Andere veranderden voor een duizendvoud hiervan van eigenaar.

En dan liep het mis…

De veilingmeester stak een wollen handgeknoopt Chinees tapijt in de lucht.  De mat had een diepblauwe kleur en was versierd met cirkels van bloemen en vlinders.  Vooral de kleuren spraken me erg aan.  Ik wou bij mijn vriend polsen of hij het ook een prachtig  tapijt vond. “Zouden we een bod doen?” vroeg ik zachtjes en  zonder zijn antwoord af te wachten, stak ik onbedachtzaam mijn hand in de lucht.  Ik was ervan overtuigd dat ik hiermee de tijd om te overleggen een beetje kon rekken, omdat er ongetwijfeld  iemand meer zou bieden. “En dan is dit prachtige tapijt voor achtduizend frank toegewezen aan de juffrouw op de tweede rij,” hoorde ik de veilingmeester in de verte brullen.

Mijn lief keek me lichtjes verbouwereerd aan.  “Wat is er gebeurd?” fluisterde ik verbijsterd in een vreemdsoortige snik-giechel combinatie.  “Je hebt een tapijt gekocht,” repliceerde hij nuchter. “Maar ik moet dat niet hebben”, antwoordde ik met een lichte stemverheffing. “Waarom stak je dan je hand op?” Ja, waarom? Ik wist het niet. Waarschijnlijk had ik me teveel laten meeslepen, was ik meegegaan in de flow van de wuivende handjes, was ik in mijn sas omdat ik de ultieme compromis tussen ons beider smaken had gevonden…

Zenuwachtig las ik het reglement na.  Er kwam nog vijfentwintig procent aan kosten bij.  Doch als ik van mijn aankoop wou afzien, kon ik het opnieuw laten veilen.  Om dan geen verlies te lijden zou het tapijt een kwart meer moeten opbrengen dan wat ik uitgegeven had, een eventuele winst daarentegen werd niet uitbetaald.

Om  bijkomende impulsieve aankopen te vermijden, ging ik preventief op mijn handen zitten (niet echt, maar ik vind het een grappig beeld).  Na afloop en mits cash betaling kon ik mijn ‘prijs’ gaan ophalen.  Met tien briefjes van duizend frank (250 euro naar huidig tarief, ter info van de buitenlandse lezer) stond ik ongeduldig te wachten tussen de antiquairs die zonder verpinken een tienvoud aan biljetten neertelden. Ik kon me niet meer voor de geest halen wat ik gekocht had.  Ik had het immers maar enkele tellen  gezien. Gelukkig stelde het niet teleur.

Enkele weken later werd het kasteel van Ordingen per opbod verkocht. Alhoewel mijn vriend en ik nog niet samenwoonden, werd vanaf dan duidelijk wie van ons twee de broek aanhad. Hij verbood me te gaan! En maar goed ook, want…

ik loop niet graag heelder dagen rond met een kroontje op mijn hoofd!*

.

.

.

Met dank aan Chrissebie voor het leveren van de clou.

weldra op jouw scherm…

6 Nov

waarom ik niet in een kasteel woon…

(laat jullie fantasie de vrije loop, zou ik zeggen)