Archief | even serieus nu RSS feed for this section

slecht advies van een moeder

22 Dec

Lieve Arte

Mag ik je wat goedbedoeld, zij het, slecht advies geven? Het zal de omgang met klasgenoten vergemakkelijken.

Om te beginnen zou ik je willen aanraden om te leren zwanzen, wat meer te praten over koetjes en kalfjes. Kan als kleindochter van een boer en een boerin toch geen probleem zijn? Best zou je je wat meer verdiepen in de wereld van make-up, fashion en jongens. Veel interessanter dan uit de doeken te doen hoe zweefvliegen in zijn werk gaat of  wat de planeet mars in zijn mars heeft. ’t Was trouwens misschien niet zo een goed idee om je hierover een boek cadeau te doen. Een abonnement op de Flair lijkt me in de toekomst geschikter en wordt bovendien verplichte lectuur voor jou. Het zal je horizonten aanzienlijk verruimen.

Een tweede slecht advies is dat je zal moeten leren huichelen. Heel moeilijk voor jou, en je zal je er echt oncomfortabel bij voelen, maar je medeleerlingen zullen zich gemakkelijker voelen tov jou. Zwijg niet – dat is wellicht te veelzeggend – maar prijs hun werk expliciet, ook al vond je het niet zo goed (wat door de leerkracht achteraf ook wordt bestendigd door de toekenning van een pover cijfer). Goedbedoeld advies wordt absoluut niet in dank afgenomen. Integendeel, het zet enkel kwaad bloed, dat heb je al ondervonden. Bovendien kan je best doen alsof je vreest dat dat je gebuisd bent op een bepaalde taak. Zelfs al weet je met zekerheid dat dat niet het geval is. Nu lijk je te zeker van je stuk. Doe alsof de leerkracht bakken kritiek heeft. Zo raak je misschien af van je imago af dat je arrogant bent. Wat uiteraard helemaal niet het geval is. Iedereen die je goed kent, kan dit beamen.

Het belangrijkste slechte advies dat ik je dien te geven is dat je vooral minder goed je best moet doen. Stel je tevreden met een 10 op 20. Ook al weet je dat een 14, 15 en zelfs een 16 op de praktijkvakken binnen je mogelijkheden ligt.  Verlies vooral je passie voor je studie! Doe je voorbereidingen minder grondig, zodat je medeleerlingen niet ontmoedigd raken als je werk weer eens als voorbeeld wordt genomen. Puf en zucht ipv al te enthousiast over te komen. Werk ook niet te vlug. Een tekening afwerken op 2u terwijl de rest met 4u nog niet toekomt, is geen goed idee om je populariteit te verhogen.

Kortom, wees vooral niet jezelf! (want de rest is te onvolwassen om daar mee om te kunnen)

(sorry, lezer, dat ik je, na zo’n lange blogstilte, hiermee belast, maar het zit me hoog, heel hoog!)

Advertenties

met vallen en opstaan

17 Okt

Sinds kort heb ik op het werk een stagiair in mijn kielzog.  Een boeiende maar ook vermoeiende bezigheid.  Negen weken lang kan ik niet meer ongegeneerd in mijn neus peuteren, een onhoorbaar scheetje laten of stiekem snoepen op mijn bureau zonder pottenkijker of lekker onprofessioneel niet al te vleiende woorden mompelen als ik de telefoon inhaak nadat mijn geduld weer eens danig op de proef werd gesteld.

Anderzijds is het een heerlijke confrontatie met mezelf als beginnend maatschappelijk werker.  Bij een stagiair vind je immers je idealisme en naïviteit van weleer terug.  Het begint al met de vraag waarom iemand kiest voor het beroep van sociaal assistent.  Het meest courante antwoord is ‘omdat ik graag mensen help’.  Bij mij was dit niet anders.  Inmiddels ben ik er achter dat het échte antwoord minder altruïstisch is dan ik aanvankelijk dacht. Trouwens, bestaat zuiver altruïsme wel?  Ik vermoed van niet.  Bij elke handeling is er altijd wel een achterliggend belang, dat – al dan niet zichtbaar – aanleunt bij eigenbelang.

Het is prettig om te zien hoe mijn cliënten hun leven weer terug op de rails krijgen.  Maar als ik eerlijk ben, minstens zo fijn als dit feit op zich is het feit dat ik daaraan meegeholpen heb en dat dit dus deels mijn verdienste is. Of anders geformuleerd, het geeft mijn leven zin. En het mooie eraan is dat ik er nog voor betaald wordt ook en nog niet eens zo heel slecht, wat men ook van de sociale sector mag beweren.  Dit in tegenstelling tot nobele vrijwilligers die vaak ook zingeving halen uit hun taak, doch er niet extra voor be’loon’d worden.

Als ik bij een begin van een stage de beoordelingsformulieren lees, schrik ik altijd van de competenties die je als hulpverlener verondersteld wordt te hebben.  Zo ook bij vacatures die in de krant staan.  Het mag een wonder heten dat ik  afgestudeerd, laat staan, aan werk geraakt ben. Ach, niemand is perfect in zijn job, vermoed ik.  Een opleiding biedt wel een stevige basis, maar het vak zelf leer je toch vooral op de werkvloer, met vallen en opstaan.

In mijn beroep zijn er twee belangrijke valkuilen, waar vrijwel iedere pas afgestudeerde maatschappelijk werker met open ogen intuimelt.

Aanvankelijk ben je zo gemotiveerd dat je àlle problemen wil (helpen) oplossen. Heel ambitieus, maar vooral heel naïef. Stuit je bijvoorbeeld op een familieruzie, dan hoop je, vanuit je inherent idealisme, middels bemiddeling de familievrede te kunnen herstellen.  Blijf er echter met je poten vanaf, het spaart je onnodige frustraties. Geen enkele oorlog is  immers ingewikkelder en onoplosbaarder dan diepgewortelde familiekwesties. Bovendien liggen er niet zelden geldzaken aan de basis. Geld heeft een vreemd, ongunstig en bovendien vaak onzichtbaar, maar vooral onuitwisbaar effect op mensen.

Een tweede valkuil is dat je problemen zo snel mogelijk wil oplossen. Geef echter niet toe aan de manipulaties van je cliënt die je zal proberen te overtuigen om snelle oplossingen aan te reiken door in te spelen op je gemoed. Hulpverleners zijn immers vaak zachtaardige mensen die menselijke fouten gemakkelijker door de vingers zien dan de doorsnee medemens. Een diepgeworteld bestedingsprobleem los je echter niet op door met cash geld een brandje te blussen.  Neen, het vereist een structurele aanpak, zoals budgetbeheer, want voor je het weet staat heel de boel in de fik, waartegen geen enkele geldstroom opgewassen is.  Deze aanpak moet je echter zien verkocht te krijgen aan je cliënt en dat is geen simpele opdracht. Het druist immers in tegen je neiging om het probleem zo snel mogelijk op te lossen én tegen je zachte karakter dat moet weerstaan aan de smeekbede van de cliënt voor de snelle oplossing, waarvan je ten volle beseft dat deze slechts tijdelijk is. Soms is het zelfs nodig om een probleem te laten escaleren – wie niet horen wil, moet voelen -, omdat dit de enige manier is om medewerking te krijgen van je cliënt.  Als watje blijf ik dit moeilijk vinden. Eigenlijk is het niet anders dan opvoeden.  Je kan niet alles toegeven aan je kinderen. Opdat hun persoonlijkheid kan groeien en versterken, moeten ze met frustraties en teleurstellingen leren omgaan.

Zelfs al geef je een stagiaire tal van concrete voorbeelden van vermelde valkuilen, toch is de kans groot dat hij er met beide voeten intrapt, zodra hij in het werkveld staat. Geen probleem, integendeel, want net zoals bij kleine kinderen leert hij het best met vallen en opstaan.

Trouwens, zelfs na ruim vijftien jaar doe ik nog regelmatig een diepe duik.  Al komt het minder frequent voor.  Struikelen daarentegen…

vals

28 Sep

Net als alle mensen ben ik hypocriet.  De bloglezer die nu bij zichzelf denkt ‘maar ik niet’ is een leugenaar. Voilà!

We weten  allemaal dat we het milieu naar de verdommenis aan het helpen zijn en toch doen we lustig verder.

Jij  niet?  Maak dat de kat wijs. Je bent geen haar beter dan de rest!

Net als de meeste mensen denk ik van mezelf dat ik mijn best doe om milieubewust te leven. Maar als ik heel eerlijk ben, is ‘mijn best’ nog lang niet goed genoeg.

Oké, we hebben maar één auto en dat is niet louter uit financiële overwegingen.  Met die auto doen we ongeveer 23.000 km per jaar, wat in vergelijking met anderen meevalt, aangezien ik bijna 30 km van mijn werk woon. Ik hoef me niet schuldig te voelen omdat ik dit traject niet per fiets doe,  er is niemand die dit van mij verwacht.

Oké, we sorteren zoals het hoort en doen niet aan sluikstorten, ook al is de gemeente waar we wonen bij de duurste qua milieubelasting.

Oké, we gaan één keer per jaar naar het buitenland per auto, maar dit is alleszins milieuvriendelijker dan met aluminium vleugels.

Oké, we hebben zonnepanelen op ons dak liggen.  Iedereen weet dat dit milieuvriendelijk is.  Behalve de criticasters, maar die zijn gewoon strontjaloers.

Oké, we drinken altijd water uit de kraan en hebben bewust geen zwembad, omdat we dit onethisch vinden. We hebben een waterreservoir van twintigduizend liter om te wassen en de toiletten door te spoelen. Onze bescheiden regendouche verbruikt ‘slechts’ acht liter water per minuut en geen achttien.  Tijdens de kleutertijd van onze kinderen gooiden we het badwater niet met het kind weg, maar herbruikten het voor onszelf.

Bijgevolg twijfelden we geen seconde, toen we vorig weekend op de markt onverwachts geïnviteerd werden om mee te  zingen  voor het klimaat. Uiteraard moffelde ik eerst nog vlug een plastiek zakje met dito doosje met roerbakvis in mijn sacoche. Dat zou immers niet goed overkomen in beeld. Onverstelbaar trouwens hoeveel zakjes je krijgt als je aankopen doet op de markt.  Vervolgens genoten we van de ambiance en zongen we vol overgave mee, totdat onze kelen schor waren.

Het beïnvloedde ons zelfs ’s anderendaags nog positief.  We togen immers braaf op onze fiets om naar ons loopparcours te gaan.  Normaal rijden we drie km heen en even ver terug om tussenin tien kilometer te joggen.  Achteraf was ik uiteraard toe aan een douche, net zoals de rest van mijn gezin.  Ondanks alle goede voornemens kon ik echter niet aan de lokroep van een lekker heet goedgevuld bad weerstaan.

Een uur later kroop ik er warm en voldaan uit.  Uit de radio schalde het liedje dat ik ’s daags voordien nog lustig meegezongen had.  Aangezien ik de tekst inmiddels van buiten kende, zette ik enthousiast mee in.

Vreemd genoeg, klonk het plots een beetje vals…

https://www.youtube.com/watch?feature=player_embedded&v=OVnedIW1y8E

Ik heb geen vrienden en daar ben ik blij om!

4 Feb

Gelukkig heb ik wel één goede vriend, zeg maar een héél goede vriend, een boezemvriend als het ware, en dat mag je heel letterlijk nemen.  Regelmatig druk ik hem immers tegen mijn boezem, duik ik ongegeneerd met hem in bed. Op den duur kwam dat zoveel voor dat we beslist hebben om te trouwen.  Dat is nu ongeveer 15 jaar geleden!  Verder heb ik ook nog veel kennissen, enkele goede kameraden en ook enkele goede vriendinnen, waarvan twee overspelige.  Laat bij dit  laatste nu net het schoentje wringen.

Al mijn vriendinnen hebben net als ik een stabiele relatie.  Regelmatig vragen we ons verwonderd af hoe de statistieken aan de hoge echtscheidingspercentages komen.  Alleszins niet bij ons.  2012 lijkt echter het jaar van de ommekeer.

Het begon al met oudjaar zelf.  Mijn man, de kinderen en ik brachten oudejaarsavond door bij een bevriend koppel en hun kinderen.  Traditiegetrouw zouden we er blijven overnachten. Laat ik hen gemakshalve An en Stef noemen.  Ik ken An sedert de humaniora. Omdat zij een jaartje bleef plakken, van school veranderde en ik ging verder studeren, waren we elkaar wat uit het oog verloren.  Maar door een toevallige ontmoeting, enkele maanden voor hun huwelijk en de daaropvolgende uitnodiging om naar hun trouwfeest te komen, werd de draad terug opgepakt.  We begonnen vaker met elkaar af te spreken, kregen ongeveer rond dezelfde periode elk twee kinderen.  Kortom, we hadden het gezellig samen.

In de loop der jaren leerde ik An beter kennen.  Ze had nogal een sterke persoonlijkheid – laat ik het hier positief benoemen – en ik ging gaandeweg meer sympathie voelen voor haar man, die er alles voor deed om zijn vrouwtje en kinderen gelukkig te maken.  Al dan niet toevallig hadden we in 2011 geen enkele keer afgesproken, maar we zouden wel samen nieuwjaar vieren.  Mijn man vond dat een beetje vreemd, maar ik zag er geen graten in. Alleszins zeker stof genoeg  om bij te kletsen. An had het, zoals gewoonlijk, weer heel gezellig gemaakt en alles voelde heel vertrouwd aan.  Jammer genoeg had ze last van buikkrampen, waardoor ze  regelmatig en langdurig op de pot verbleef. Eveneens jammer genoeg was ikzelf vergeten om tijdig een allergiepilleke te nemen met alle gevolgen vandien.  Het koppel had onlangs immers twee  katten aangeschaft. Ik ben dol op poezebeesten, maar helaas bezorgen ze me nogal graag kortademigheid.  Dat was ook de reden waarom we om drie uur ’s nachts beslisten om toch naar huis te gaan. ’s Anderendaags belde ik An even op om haar te bedanken voor de gezellige avond.

Een week later vernam ik van een collega op het werk, die de moeder van Stef vrij goed kent, dat het koppel zou gaan scheiden. Ze hadden deze beslissing na nieuwjaar kenbaar gemaakt in hun familie.  Het kwam aan als een donderslag bij heldere hemel.  Ik kon het niet geloven, temeer omdat ik niets gewaar geworden was en mijn man ook niet.  Ik liet het het dagje bezinken en ’s anderendaags belde ik An opnieuw op.  Het bleek waar te zijn, ze had nog niet de juiste timing gevonden om het me te zeggen.  Ze vertelde me dat Stef drie jaar eerder een depressie had gehad.  Opnieuw kwam ik uit de lucht gevallen en benoemde dit ook. “Klopt’, ging ze verder “omdat hij beschaamd was, mocht ik er met niemand over praten.”  Ze vertelde hoe Stef haar steeds verder wegduwde en hoe zij haar toevlucht zocht in computerspelletjes.  Op die manier leerde ze een man kennen, met wie ze het goed kon vinden.  Eerst oppervlakkig, maar gaandeweg werden hun chatsessies diepgaander.  Ze begonnen in real life af te spreken en dit ontaardde – dit is mijn woordkeuze, niet de hare – in een affaire.  Toen haar man dit ontdekte, beloofde ze hem om de liefdesrelatie stop te zetten, maar de vriendschap wou ze kost wat kost behouden. Samen met haar man ging ze in relatietherapie. Ze bleef afspreken met haar ex-minnaar, als vriend – met medeweten van haar man – en uiteindelijk moest ze toegeven dat ze nog steeds dolverliefd was op hem.  “Had je trouwens niet gemerkt dat Stef en ik elkaar niet onmiddellijk ‘gelukkig nieuwjaar’ zoenden?” “Jawel, maar ik dacht dat je op dat ogenblik op de pot zat met diarree.” Madame bleek echter telkens zo lang op de pot te vertoeven om te sms’en met haar minnaar. Ik was in shock, vooral omdat ze geen goed woord meer overhad voor Stef. De therapie had niets afgedaan, dat kweet ze echter vooral aan zichzelf, ze was onvoldoende gemotiveerd. Ondertussen had Stef ook een assertiviteitscursus gevolgd. En dit had allesbehalve een gunstig effect op hem, vond ze.  Zal wel zijn!

Drie weken later speelt zich bij een ander bevriend koppel een soortgelijk drama af.  Oorspronkelijk was het niet mijn bedoeling om hier over deze affaires uit te weiden.  Daarom had ik me aanvankelijk beperkt tot het schrijven van de aanverwante tekst “Doe mij maar de dagdagelijkse sleur”, omdat het overduidelijk is dat mijn vriendinnen hieraan willen ontsnappen en ik voor mezelf tot de slotsom kwam dat ik deze behoefte niet heb.  Maar doordat er op zo een korte termijn een tweede situatie, die me een beetje doet denken aan de beklijvende film ‘Unfaithful’ – daarom noem ik deze vrienden, zoals de hoofdrolspelers, Ed en Connie – opduikt, beheerst het thema momenteel mijn leven en kan ik niet anders dan het van me afschrijven.

De voorvallen vertonen enkele overeenkomsten en doen me enkele conclusies trekken.  Ik weet het beste lezer, dat is een delicate kwestie, temeer omdat ik me niet partijloos opstel. Dat zou niet mogen als hulpverlener, I know, maar ik ben hier geen hulpverlener, ik sta er te dicht bij,  ik ben er zo ondersteboven van. Ik had nog eerder een breuk verwacht bij Nicole en Hugo dan bij mijn vrienden!

An en Connie hebben beiden een schat van een man, die het absoluut niet verdient om bedrogen te worden.  Beide mannen zijn zelfs bereid om hen hun misstap te vergeven en niet alleen uit financiële overwegingen of in functie van de kinderen, maar omdat ze – ondanks alles- hun vrouw graag zien. Daarom, beste lezer, – vergeef me mijn gebrek aan onpartijdigheid en inlevingsvermogen ten opzichte van mijn vriendinnen – zou ik ze beiden graag een schop onder -hun gat geven.

Bovendien hebben beide dames een nieuwe man en daar zijn ze altijd heel content mee geweest.  Stef en Ed zijn zeker niet te beroerd om een  handje toe te steken in het huishouden, ze zijn beiden fantastische, héél betrokken vaders en hebben veel positieve aandacht voor hun partner. Ik kan aannemen dat dit bij Stef niet het geval was tijdens zijn depressie, maar de rekening die hij hiervoor gepresenteerd krijgt, vind ik buitensporig hoog. Ed weet zelfs niet eens waarom hij een rekening krijgt.  Straffer nog, Connie weet het zelf ook niet.  Zelf kom ik tot de conclusie dat ik heel blij ben met mijn nieuwe man – jawel, ik heb er ook eentje – en vooralsnog geen reden heb om hem in te ruilen voor een nog nieuwere.  Deze moest maar eens minder nieuw zijn dan dat hij eruit ziet. Ik vrees dat mijn vriendinnen op dit vlak zelf bedrogen gaan uitkomen.

Men zegt dat liefde blind maakt. Ik kan alleen maar concluderen dat verliefdheid veel blinder maakt. Niet alleen blind, maar ook egocentrisch.  Daarenboven lijken An en Connie verslaafd aan hun nieuwe partner.  Ze hebben geen oog meer voor hun wettelijke wederhelft, noch voor hun eigen broedsel.  Net zoals een drugverslaafde liegen en bedriegen ze elkeen, vooral hen die hen nauw aan het hart liggen, om hun verslaving in stand te houden. Daarnaast zijn ze verstoken van alle redelijkheid. Ik durf niet hardop beweren dat dit me nooit kan overkomen, maar ik heb een ingebouwde rem en ik hoop dat ik – als ze niet meer zou werken – genoeg bij mijn zinnen zal zijn om aan de noodrem te trekken.

Dit leidt me trouwens tot de titel van dit schrijfsel, die verwijst naar mijn overtuiging dat vriendschap tussen mannen en vrouwen niet mogelijk is, tenzij in een liefdesrelatie.  An en Connie zijn levende bewijzen van mijn stelling. Al dan niet bewust houd ik mijn contacten met mannen veel oppervlakkiger dan deze met vrouwen.  Misschien komt dat ook door het feit dat ik, tot en met het middelbaar, mijn schooltijd enkel tussen meisjes heb doorgebracht en hierdoor niet geleerd heb om met jongens om te gaan.  Zelfs nu nog heb ik daar moeite mee. In vreemd gezelschap zal ik altijd gemakkelijker het gezelschap zoeken van vrouwen dan van mannen.  De laatste jaren heb ik ontdekt dat omgaan met mannen ook leuk kan zijn.  Toch is het anders. Hoe je het draait en keert, er blijft dat sekseverschil wat soms leidt tot plezierige woorduitwisselingen.  Je kan dat flirten noemen, maar het is veel onschuldiger dan dat.  Ach, zo lang als je het kameraadschappelijk houdt, is er niets aan de hand.  Buiten mijn partner heb ik dus geen enkele vriend, doch enkel enkele vriendinnen.

Al hebben de recente gebeurtenissen mij ook wel doen nadenken over mijn vriendschap met de dames in kwestie.  Ik heb het zo moeilijk met hun gedrag, dat ik deze vriendschap in vraag begin te stellen.  Niet alleen in de zin van dat ik eraan twijfel of ik nog wel bevriend wil zijn met hen, maar veeleer of ik wel een goede vriendin ben voor hen. Ik vrees voor dit laatste, want een echte vriendin neem je volledig zoals ze is, met al haar hebbelijkheden en onhebbelijkheden en een eventuele misstap wordt met de mantel der vriendschap bedekt.   Ik stel vast dat vriendschap voor mij toch veel voorwaardelijker is dan dat ik ooit gedacht had.  Waarschijnlijk heeft dit dan weer mee te maken met mijn aangeboren aard om, zonder uitzondering, steeds te sympathiseren met de underdog (hier, de bedrogen mannen).  Nu ik van de eerste shock bekomen ben, denk ik dat ik met Connie wel bevriend kan blijven.  Met An ligt dit moeilijker.  Dat ze haar man emotioneel de dieperik heeft ingeduwd zou ik haar eventueel nog kunnen vergeven, ervan uitgaande dat dit niet haar opzet was.  Maar dat ze nu ook nog financieel het onderste uit de kan wil halen, vind ik er zwaar over. Mensen zonder geweten, daar moet ik weinig van weten.

Tenslotte wil ik dit lange epistel beëindigen met een positieve noot.  Ik heb de relaties van mijn vriendinnen en mezelf altijd vanzelfsprekend gevonden.  Als deze vanzelfsprekendheid dan bij enkelen van hen plots doorbroken wordt, is het nogal vanzelfsprekend dat je de vanzelfsprekendheid van je eigen relatie in vraag stelt. Toch kwamen we als vanzelf tot de volgende conclusie : de vanzelfsprekendheid van onze relatie is alleen maar toegenomen. En we beseffen maar al te goed dat dit niet zo vanzelfsprekend is!

GeenStalkingMachine voor mij, GeenSpeelgoedMobiel voor mijn dochter

16 Dec

Alhoewel ik een fanatieke blogster ben, heb ik een bloedhekel aan computers en allerlei andere technologische snufjes. Gelukkig kan ik me, vrouw zijnde, zulke tegenstrijdigheden permitteren. Waar ik helemaal niets van begrijp is, is de pathologische verknochtheid van veel mensen aan hun GSM.  Zonder dat nutteloze ding komen ze de deur niet uit, als betreft het een essentieel kledingstuk.  Vooral in het begin van het GSM-tijdperk  heb ik me mateloos geërgerd.  Toen waren die zeldzame toestellen nog duur in aanschaf en groot van formaat en manifesteerde de trotse eigenaar zich steevast als een very important person.

Tegenwoordig heeft iedereen, de sociale gevallen op kop, een mobieltje op zak en tracht men al dan niet op te vallen met een zo gesofisticeerd mogelijk exemplaar.  Je kan niet meer om de verschillende ringtonen heen – ik geef toe, er zitten er best wel leuke tussen – en stilaan heb ik me met dit fenomeen leren verzoenen.  Althans deels toch. ‘k Blijf het ergerlijk vinden als dat onding te pas en en onpas afgaat.  Wat is er bijvoorbeeld mis met het klassieke boodschappenlijstje?  De moderne huisvrouw kan blijkbaar niet meer plannen. Moeder de vrouw geeft à la minute aan manlief door wat hij moet meebrengen van de Delhaize. Moet je naar een begrafenis? Dan laat je dat ding, uit waardering voor je partner, zeker aanstaan, de dode is toch al dood, die behoeft geen respect meer.

Neen, voor mij geen GSM, al dacht mijn bezorgde echtgenoot er anders over.  Enkele jaren geleden meende hij me te plezieren door ons beiden zo een communicatieprul cadeau te doen. Een verrassing was het wel, doch geen aangename.  Al jaren aan een stuk waren we onze kinderen aan het sensibiliseren over het onnut van zo’n toestel.  Kwestie van ze een natuurlijke afkeer voor de kankermobiel aan te kweken alvorens hun puberteit aanbreekt en ze er als vanzelf naar worden toegezogen.

Al is het wetenschappelijk niet onomstotelijk bewezen, ik heb het niet op die dingen.  OK, gooi dan ook je microgolfoven, wekkerradio, computer (ja, die ook), koffiezetapparaat…en alle andere elektromagnetische stralingstoestellen buiten, hoor ik je denken. En vooral die twee flatscreens die je woon- én slaapkamer ontsieren, merkt de kritische lezer, aan wie ik mijn identiteit toevertrouwde, stilletjes op.

Tja, ’t is eigen aan de mens (lees: mens en niet enkel het sterke geslacht) om niet altijd consequent te handelen naar zijn ideeën. Dát maakt ons juist tot mens en dát onderscheidt ons van de dierenwereld waar er hoofdzakelijk vanuit instincten wordt geageerd, niet waar?  Volgens mij spant een GSM, qua DNA-vernietiger, toch de kroon, terwijl je makkelijk zonder kan.  Onder de leeftijd van 16 jaar is zo’n breinkoker zelfs volledig af te raden naar het schijnt.  Jonge kinderen met zoiets opzadelen is een milde vorm van kindermishandeling en dan druk ik me nog eufemistisch uit. Een mobieltje is bovendien maar een kort leven beschoren of wordt vaak onnodig vervangen door een hipper exemplaar.  Milieuvervuiling?  Onze rommel sturen we toch gewoon naar de derde wereld, probleem opgelost. Hallo, zeg!

En dan volgen al die halfslachtige argumenten van gebruikers om het algemeen nut van dat nutteloze toestel te bewijzen.  Stel dat je een lekke band krijgt, wat dan?  Dat kleine toestelletje kan eigenhandig toch geen band verwisselen of wel soms?  Ik denk dat je al een heel eind verder geraakt als je je vrouwelijke charmes in de strijd gooit bij een toevallige passant. Maar stel dat die dan een moderne Jack de Ripper is?  Tja, geen enkele GSM maakt je immuun voor verkrachters, moordenaars, kinderlokkers of ander crapuul.  Trouwens de kans dat je er kanker van krijgt, is veel groter dan de kans dat je wordt aangerand.

Al moet ik toegeven dat zo’n toestel voor sommige categorieën, zoals medici, wel een goede uitvinding is. Wellicht zal hún partner er anders over denken. Sommige gebruikers vinden het echter noodzakelijk om ten alle tijden met hun partner te kunnen communiceren. “Schat, zet de patatten alvast op, over een kwartiertje ben ik daar.”  Een vriend van ons kan geen 10 minuten alleen ongestoord bij ons binnen zitten of zijn echtgenote doet zijn broekzak trillen. Ze zit wat met me in, besluit hij telkens optimistisch. Geen Stalk Mobiel voor mij, denk ik dan.  Ik zou het ervaren als een radicale beknotting van mijn vrijheid.  Ik heb niets, euh niet veel, te verbergen voor mijn partner en ook zonder draadloze communicatie slagen wij erin om onze relatie in stand te houden. Goddank doet hij me liever elders trillen.

Twee jaar geleden vierden we samen met een bevriend koppel oudjaar.  Supergezellig, maar vanaf tien uur ’s avonds begint de belachelijke berichtjesellende.  Je kan net zo goed tegen de muur praten, want mijnheer en mevrouw moeten dringend sms’jes versturen. Er is geen ontkomen aan. Aja, wachten tot middernacht heeft geen zin, want dan ligt het netwerk plat.  Idioter dan dat kan toch niet of ben ik daar mis in?  Enkele maanden later heb ik mijn nieuwjaarsboodschappen pas gelezen.  Geen flauw benul had ik ervan dat ik mensen ken die zich met dergelijke onnozeligheden bezighouden.  De attente zenders hebben geen repliek meer gekregen.  In maart leek het me immers helemaal ridicuul om nog wederwensen te versturen. Onder zware sociale druk besloot ik vorig jaar om mijn nieuwjaarsberichtjes, zoals iedere normale mens, tijdig te lezen. ‘Met een vuurpijl in mijn kont, vlieg ik heel de wereld rond… om je een gelukkig nieuwjaar te wensen,’ las ik luidop voor. Afzender…onze mannelijke gast. Origineel hoor, zo’n oprechte wens die zich vibrerend van de ene naar de andere mobiel verspreidt als een besmettelijk virus.

En dan onze jongste. Wat zou ze toch zó graag een mobieltje hebben.  Spijtig genoeg zit ze opgescheept met een stel ouders, die haar dit pretje principieel niet gunnen, die vinden dat dat geen speelgoed is, maar die haar creativiteit – ze knutselde er zelf eentje – bewonderen.  Bovendien heeft ze de brute pech dat haar oudere zus, schijnbaar ongevoelig voor dergelijke typische ik-wil-erbij-horen-tienerattributen, het gevecht met de ouders nog niet heeft beslecht voor haar.

Ongeveer een maand geleden ging ik onze elfjarige ophalen na een verjaardagsfeestje. “Heb je je geamuseerd?”, vroeg ik geïnteresseerd.  Ze bevestigde zwakjes, doch haar non-verbale gedrag sprak boekdelen.  Even later werd de reden duidelijk.  Drie prille tienermeisjes, knusjes naast elkaar op de bank, hadden onderling de grootste fun met hun mobieltje. Eén klein meisje, geen plek voor vier op een rij, stond er voor spek en bonen bij te kijken.  Tja, dat deed mijn moederhart wel even bloeden.  Op haar vraag wanneer zij ook eindelijk een GSM krijgt, moest ik het antwoord schuldig blijven.  Trouwens, probeer je beweegredenen maar eens toe te lichten in het bijzijn van drie andersdenkende moeders die hun kinderen duidelijk wél graag  zien.

Onderweg naar huis zette ze haar emotionele tirade voort. Ze smeet me voor de voeten dat het niet eerlijk is dat wij wel een GSM hebben.  Ook merkte ze denigrerend op dat onze mobieltjes hopeloos verouderd zijn… niet openklapbaar, zonder touchscreen.  Kortom, wat een sukkels zijn we toch! En hoe benadeeld is zij met zulke ouders, ze krijgt niets van ons en en ze mag niets van ons. (Het lieve kind is nog maar elf, dat gaat nog vuurwerk geven over enkele jaren) Uit collère gooide ze haar zelfgefrabiceerd exemplaar in de vuilnisbak om haar gelijk te benadrukken. “Weet je wat ik het ergste vind?,” besloot ze verongelijkt, “Ik ben er zeker van dat als ik geld krijg voor mijn verjaardag of zo, dat ik daar dan geen GSM mee mag kopen”
En gelijk heeft ze!

hoe ik het leven leerde relativeren

9 Dec

Beroepsmisvorming… Iedere werkende mens heeft er wel eens last van.  Vooral het onderwijzend personeel staat ervoor bekend. Iedereen kent wel een leerkracht,  die het zelfs buiten zijn eigen vakdomein, toch steeds beter meent te weten dan de specialist ter zake.  Met alle plezier anderen de les spellen, maar zelf onbevangen openstaan voor de kennis van anderen…hooohh maar.  Mijnheer beterweter weet het beter!  Vooraleer ik venijnige commentaren krijg of dreigementen om mijn blog nooit meer te lezen, wil ik het voorgaande even nuanceren en stellen dat er op elke regel een uitzondering bestaat.  Dus, als je je aangesproken voelt, beste bloglezer, maak jezelf dan wijs dat jij die uitzondering bent.  Ziezo, tactvol opgelost, als maatschappelijk assistente ben ik getraind op zulke zaken.  Tact is my middle name.  Heb ikzelf last van beroepsmisvorming?  Neuh, want dan zou ik zulke vooroordelen niet spuien. Ik wou echter, dat ik ruim tien jaar geleden, in mijn privéleven wat meer de hulpverlener had uitgehangen.

Even een achterwaartse sprong maken in de tijd.  Eerder heb ik al eens laten vallen dat mijn moeder uit een nest van zes kwam.  Samen met haar broers zorgde zij voor een nageslacht van achttien nichten en neven, met tussen de oudste en de jongste een leeftijdsverschil van amper negen jaar.  Dit verhaal gaat over mijn nichtje Karen, de tiende in de rij.  Als kind  had ik geen bijzondere band met haar. Integendeel. Zij was vier jaar ouder dan ik en bovendien in volle puberteit toen ik nog een onschuldig kind was.  Ik hoor en zie haar nog zeuren en stampvoeten omdat haar verboden werd om samen met de oudere nichten en neven op stap te gaan omdat zij nog geen zestien was.  Ik leerde haar echter beter kennen toen we beiden ruim tien jaar ouder waren en we toevalligerwijs in dezelfde uitgaanskliek verzeilden.

Enkele jaren voordien was zij getroffen door de vieze K-ziekte.  Reeds op drieëntwintigjarige leeftijd diende zij een borstamputatie  te ondergaan, gevolgd door een zware nabehandeling.  Karen gedroeg zich biezonder kranig ondanks dat de ziekte als het zwaard van Damocles boven haar hoofd hing. Ik stelde het zeurderige en stampvoetende beeld dat ik van haar had volledig bij.  Verder had ik haar altijd lelijk gevonden, met haar lange, opvallend spitse neus, rood aangezicht en strogeel en -droog haar en ook dat zag ik niet meer.  Vind je niet, beste bloglezer, dat zowel schoonheid als lelijkheid vervagen als je iemand beter leert kennen?  Mooie mensen worden lelijker als je hun kleine kantjes ontwaart en lelijke mensen worden knapper door hun goed karakter. En sterk karakter. Als kleuterleidster kreeg Karen te verwerken dat zij nooit zelf nog een kind zou kunnen baren.  Zij verbeet  haar tranen en bezocht moedig alle kersverse moedertjes in haar vrienden-en familiekring en hun prille kroost.

Een viertal jaren, na de eerste diagnosticering, sloeg het noodlot toe, een plekje op de lever.  Je hoefde niet medisch geschoold te zijn om te begrijpen dat dit geen goed teken was.  Karen gaf zich echter niet gewonnen.  Ze onderging een zware chemokuur, maar bleef tussen de behandelingen door toch  lesgeven. Ook al was de kleuterschool een broeihaard van bacteriën waarvoor zij na iedere chemobeurt uitermate vatbaar was. Ze vertelde me het slechte nieuws trouwens bezijden de dansvloer.  Geen haar immers op haar, inmiddels kale, hoofd dat eraan dacht om thuis te blijven kniezen. Telkens weer gaven de dokters haar valse hoop. Uiteindelijk dwong ze hen om luidop uit te spreken wat zij stilzwijgend vermoedde : ze was terminaal.  Uitzaaiingen naar de longen en de botten, verdere behandeling was zinloos.  Desondanks bleef zij haar sociale leven onderhouden, al zagen we haar zienderogen achteruit gaan.

We vierden haar negenentwintigste verjaardag bij haar thuis.  Mijn vriend en ik woonden inmiddels samen en verlieten als eersten de gezellige bijeenkomst.  Attentvol begeleidde ze ons naar de deur en mijn partner informeerde belangstellend hoe ze het maakte. “Ik denk niet dat ik Kerstmis nog haal,” antwoordde ze in alle eerlijkheid.  Alhoewel we wisten dat ze terminaal was, schrokken we ons een hoedje van zoveel openhartigheid. Beiden stonden we met de mond vol tanden.  Op dat ogenblik kon ik zoveel waarheid niet aan, evenmin mijn partner.  We haalden alle denkbare clichés boven om haar uitspraak te relativeren en deden zo haar eenzaamheid en ons onbehagen toenemen.  Twee maanden voor Kerstmis ging ze dood.  We hebben haar nog enkele malen gezien, o.a. op ons eigen trouwfeest, maar een deftig gesprek hebben we niet meer kunnen voeren.

Vlak voor haar dood had ze haar beste vriedin, die bij haar waakte en een schijnbaar onvervulbare kinderwens had, beloofd dat er voor elk leven dat ophield te bestaan een nieuw leven in de plaats kwam.  Ik was echter the lucky one.  Zwanger van onze oudste dochter vierde ik met heel de familie en al haar vrienden haar dertigste verjaardag.   Ze was reeds een half jaar lijfelijk afwezig, doch dit feest kwam er op haar uitdrukkelijke verzoek. Gesnotterd dat ik heb… al hadden mijn door elkaar geklutste hormonen daar waarschijnlijk ook iets mee te  maken.

Alhoewel we niet superclose waren geweest, ging er het eerste jaar na haar overlijden geen dag voorbij zonder dat ik aan haar dacht.  Daarna ging dit slijten. De levensles die ze me onbedoeld gaf bleef wel stevig in me verankerd.  Ze deed me ten volle  beseffen dat je niet de lotto moet winnen om de winnaar van het grote lot te zijn.  Iedere dag die je extra krijgt, is pure winst.  Doch vooral haar grenzeloze levenslust heeft me compleet van mijn sokken geblazen.  Pas toen haar kaarsje bijna volledig was opgebrand, werd haar vlammetje kleiner. Voor mij blijft ze echter een onvergankelijk lichtpuntje in mijn leven.

Ettelijke jaren na haar dood moest ik een bijscholing volgen over omgaan in waarheid met palliatieve patiënten.  Deze avondvorming was een pijnlijke confrontatie voor mij.  Ik ontdekte hoe mijn gebrek aan moed de meest essentiële competentie in de hulpverlening én in vriendschappen, nl. luisteren naar de ander, had gesloopt.  Door enkel bezig te zijn met mijn eigen angsten, had ik geen oren gehad naar de hare.  Nochtans had ze me de pap in de mond gegeven, door zelf in waarheid te spreken, maar ik wilde niet slikken. Niet alleen  had ik gefaald als hulpverlener, doch – wat veel erger was – ook als vriendin.  Overmand door emoties reed ik naar huis.  Op de koop toe kon ik onderweg een onoplettende kat niet meer ontwijken.  Het was aardedonker en ik durfde niet te stoppen om de gevolgen van de aanrijding te overzien.

Bijgevolg had ik een woelige nacht en ook de dagen erna was ik niet in mijn gewone doen.  De eerstvolgende zondag sleepte ik heel mijn gezin mee naar het kerkhof.  Ik moest en zou Karen bezoeken, ze had onze kinderen zelfs  nog nooit gezien.  We stonden aan de goed onderhouden grafsteen.  Er brandde een kaarsje en ik vertelde onze kinderen dat mijn lievelingsnichtje daar begraven lag.  Eigenlijk waren ze nog te klein om het te begrijpen, maar dat weerhield me niet.  Onze jongste flapuit keek naar haar foto en merkte  nuchter op : “Dat is juist een  heks.”  Ik schrok van haar spontane eerlijkheid.  Wilde haar uitleggen dat zo’n uitspraak niet past en me verdrietig maakte, doch kon het nog net op tijd vanuit haar kinderlijk perspectief zien.  Het enige was zij zag was immers die lange spitse neus, het rode aangezicht en de gele pruik.

Ik streelde haar liefdevol over haar hoofdje en fluisterde zachtjes : “Maar dan wel een hele lieve…”

de metafoor van het uitheemse bloemetje

6 Dec

“Koen en ik gaan een kindje adopteren,” kondigde mijn collega enkele jaren geleden enthousiast aan.  Kort na haar indiensttreding hebben Anke en ik elkaar stilzwijgend gepromoveerd tot goede vriendin.  Ze is nogal impulsief van aard en ik moet vaak lachen om haar voortvarendheid en dromerige langetermijnplannen.  Die bewuste keer was het menens, dat voelde ik direct.  Ze heeft een groot en warm hart.  Bijgevolg was ik er zeker van dat ze van een kindje dat ze niet zelf ter wereld heeft gebracht evenveel kan houden als van  haar eigen vlees en bloed.

Twee jaar vóór de bewuste uitspraak was er reeds een Roosje ontsproten uit haar schoot.  Het zaaigoed was van uitstekende kwaliteit, de grond was vruchtbaar en had lang genoeg braak gelegen.  Helaas zou een tweede keer oogsten een onheilspellend risico inhouden.  Zodoende werd er enkel nog gezaaid en niet meer geoogst.  Anke en Koen vonden hun tuintje echter wat te klein en te kleurloos.  Daarom beslisten ze om een fleurig bloemetje te importeren.  Ettelijke keren veranderden ze nog van keuze van het land van herkomst, maar uiteindelijk hakten ze de knoop door.  Het zou een kindje uit Ethiopië worden.

Het voelt een beetje vreemd aan, vind ik, dat je zo zelf de kleur van je kind kan bepalen.  Persoonlijk had ik graag een mulatje gebaard.  Zoooo schattig!   Maar als je met een blanke man gehuwd bent, ook al wordt hij in Griekenland versleten voor een Italiaan en in Italië voor een Griek, dan is dat niet zo evident. Anderzijds maakte ik me toch wat zorgen om haar keuze.  De meeste Belgen hebben niet in de smiezen dat een multiculturele samenleving dé toekomst wordt.  Herinner je je nog hoe drie koppels weigerden om zich te laten trouwen door Wouter Van Bellingen, louter en alleen omwille van zijn huidskleur?  Waren ze bang dat zijn zwarte kleur hun wittebroodsweken zou vergrijzen, hadden ze kindzijnde een ernstig zwartepietentrauma opgelopen of zijn ze gewoon kortzichtig en intolerant?  Wat er ook van zij, een massa mensen hadden gelukkig totaal geen begrip voor hun belachelijke beweegredenen.

Mijn man en ik waren Koen en Anke zes jaar eerder vooraf gegaan met ons eigen kweekprogramma.  Vochtige potgrond, uitmuntend zaad en hemels voorbereidend werk leidden tot twee keer toe, met een tussenpauze van 20 maanden, tot een nieuwe soort. Twee bleke bloempjes, ontkiemd uit een ander zaadje in dezelfde broeikas, totaal verschillend van geur en kleur en terzelfdertijd met evenveel toewijding gekoesterd en verzorgd.  Niet volledig op dezelfde manier, maar volgens de specifieke noden van zijn soort.  Toch voelde het jongste bloempje zich regelmatig tekort gedaan.  Maar bovenal hunkerde het ernaar om het lieftalligst bevonden te worden.  De zaaigoedleverancier, noch de broeikashoudster kwamen aan haar vurige wens tegemoet.  De bekoorlijke schoonheid en de verrukkelijke geur van elk van de twee bloempjes waren immers uniek en onmeetbaar. Dus hoe zouden ze ooit kunnen kiezen?
Maar wat als er een bloemetje bijkomt, ontstaan uit een anoniem zaadje op onbekend terrein.  Zullen de zaaigoedleverancier en zijn compagnon voor het product van hun concurrenten evenveel genegenheid kunnen opbrengen als voor hun eigen waren?  Zullen ze even hard hun best willen doen om dit bloempje te laten floreren?  Anke en Koen alleszins wel. Ze noemden hun uitheems bloempje niet voor niets ‘Florian’.  Al was hij misschien niet het product van hun liefde, dan wel het quotiënt.  Voor hen twee evenwaardige bewerkingen die elkaar opheffen.  Hopelijk leert hun zoon, die inmiddels ruim drie jaar in ons Belgenlandje vertoeft, later ook goed tellen en begrijpt hij terzelfdertijd dat ‘verschil’ soms wel ‘gelijk’ kan betekenen.

Een half jaar geleden werd Anke door twee simpele woordjes brutaal in de harde realiteit gesmeten. Ze kwam aan op het werk en stak meteen van wal. “Ik voel me zo hypocriet,” begon ze. “We zijn naar een bijeenkomst geweest als voorbereiding op de eerste communie van ons Roosje. Amai, als je dan de pastoor bezig hoort, wat die allemaal van ons verwacht… Maar het ergste was de commentaar van de juffrouw.  Ze wou duidelijk maken dat iedereen welkom is in het huis van God.  En weet je wat ze toen zei?”  Alleszins niet veel goeds aan haar gezicht te zien. “Ze zei dat iedereen welkom is in het huis van God.  Écht iedereen, zei ze… zelfs een negerke!”

Uiteraard deelde ik Ankes verbolgenheid over deze onbetamelijke uitspraak.  Al had de juffrouw het wellicht niet kwaad bedoeld, het was een wreed ongelukkige formulering.  Totaal ongepast bovendien voor iemand in haar functie.  Anke vroeg me wat ik ermee zou doen.  Ze had ervan wakker gelegen en wou de juf erover aanspreken.  Maar ze twijfelde, tenslotte zat Roosje bij haar in de klas en over enkele jaren ook Florian.  Zoals gewoonlijk zaten we op dezelfde golflengte.  Ik zou de juf er ook over aanspreken.  Niet onmiddellijk, maar quasi terloops bij de eerst volgende gelegenheid.
Thuis aanhoorde mijn man mijn verontwaardigde waterval van woorden.  Regelmatig knikte hij instemmend, doch uiteindelijk antwoordde hij laconiek: “Ik vrees dat Anke nog dikwijls wakker zal liggen…”

Ik hoop dat hij ongelijk heeft…

Grz

Joke
PS Onlangs vertelde Anke me dat Koen en zij zich kandidaat hebben gesteld voor pleegzorg.  Fantastisch toch dat zij zich willen ontfermen over een gekneusd bloemetje, wiens wortels niet voor een stevige basis konden zorgen.  Ik ben ervan overtuigd dat ze erop zullen toezien dat het op termijn op eigen stengel in zijn vaasje kan staan, desnoods met een ijzeren draadje rond zijn kwetsbare steel.  Zelf zijn mijn vingers niet groen genoeg om zoiets te doen.  Of… misschien wil ik gewoon mijn handen niet vuilmaken…