Archief | januari, 2016

waar blijft het verlangen?

27 Jan

Mijn moeder was 25 toen ze mijn vader leerde kennen op de kermis. Bij toeval, want als het aan hààr moeder gelegen had, was ze niet mogen gaan. Gelukkig was mijn grootmoeder niet thuis op het ogenblik dat een schoolvriendin mijn moeder kwam vragen om mee te gaan. Mijn moeder vroeg en kreeg de toestemming van een inwonende tante. Had ik al verteld dat ze toen al 25 jaar was? Vijfentwintig!

Mijn vader was even oud. Ze huwden drie jaar later en toen ze ruim negen maanden later een eerste kind kregen, waren er een paar verbitterde oude vrijsters die de roddel verspreidden dat het ‘van moetens’ was. Mijn moeder, die veel belang  hechtte aan de maagdelijke status bij de aanvang van het huwelijk, vond deze onterechte roddel verschrikkelijk en heeft er naar het schijnt twee dagen om gehuild.

Voor mijn ouders was het onderwerp ‘seks’ een taboe. En dat heb ik altijd heel spijtig gevonden. Niet alleen jammer, maar het heeft me ook wel wat getekend. Ik was geen onbevlekte maagd meer toen ik huwde, maar zat wel opgezadeld met een zinloos schuldgevoel bij elke voorhuwelijkse stoeipartij. Dat is wel iets dat ik mijn ouders ooit stiekem verweten heb. Nu vind ik het niet meer nodig om dit ter sprake te brengen. Ik besef dat ze gehandeld hebben naar wat hun het beste leek…

Inmiddels heb ik zelf twee dochters. Zoals vele ouders heb ik me voorgenomen om niet de fouten te maken die de mijne hebben gemaakt. Ik betrap me er wel op dat ik behoorlijk ouderwets ben als het op seksualiteit aankomt. Uiteraard hoeven mijn dochters geen maagd meer te blijven tot aan hun huwelijk, dat zou pas hypocriet zijn.  Maar mochten ze al veelvuldig experimenteren op zeer jonge leeftijd, zou ik het daar behoorlijk moeilijk mee hebben. Zelf was ik nogal een laatbloeier op dat vlak. Gelukkig voor mij zijn mijn dochters ook niet van de rapsten. Zou dat in de genen zitten?

Onlangs sprak ik een moeder wiens dochter sinds kort een relatie heeft. “En die is al blijven slapen,” zei ze verontwaardigd “en ons Brenda is nog maar vijftien!” vervolgde ze. Ik snapte niet goed waar haar verontwaardiging vandaan kwam. Bepaal je als ouder van een vijftienjarige niet zelf wie er wel en niet blijft slapen? Of is het zo eenvoudig niet? Ik begrijp wel dat je geen seksuele relatie tegenhoudt door het samen slapen te verbieden, maar moet je het daarom zonder meer goedkeuren? Trouwens, de achterbank van een auto heeft ook zijn charmes, maar dan moet één van beide partijen (’t liefst beide partijen) natuurlijk wel al een rijbewijs hebben! Waarmee ik niet wil zeggen dat mijn kinderen alles achter hoek en kant zullen moeten doen, het is me uitsluitend om de leeftijd te doen…  Ik huiverde toen ik bedacht dat de jongen in kwestie niet meer tevreden zal zijn met een handje en een kusje, mocht hij mijn dochter versieren na het beëindigen van zijn relatie.

Ons Tia wordt dit jaar zestien. In haar klas zitten slechts twee maagden. Zij is er eentje van, maar beschouwt het gelukkig niet als een – zo spoedig mogelijk op te lossen -probleem. Haar beste vriendin die inmiddels al twee jaar een vaste relatie heeft, kloeg na de kerstvakantie dat ze het erg vond om weer alleen te slapen. Haar vriendje had immers twee volle weken knusjes naast haar gelegen.

Moet ik het normaal vinden dat een vijftienjarige al halvelings samenwoont, ook al is het onder het ouderlijk dak? Raakt men op deze manier niet te snel op elkaar uitgekeken omdat ‘het verlangen naar’ te vlug teniet gedaan wordt? Of ben ik nu hopeloos ouderwets?

zolang het om te lachen blijft…

25 Jan

Anekdote.

Ruim 25 jaar geleden. Mijn broer gaat samenwonen. Afkomstig uit een katholieke nest en wonend in een godvergeten gat was dat 25 jaar geleden geen evidentie. “Wat vindt ge daarvan?” vroeg mijn oom destijds aan mijn vader. “Tja, wat moet ik daarvan vinden?”  Niet bevredigd door het antwoord vervolgde mijn oom “Denkt ge dat ze bij elkaar slapen?” “Daar durf ik mijn hand voor in de stoof te steken dat dat niet het geval is,” repliceerde mijn vader met volle overtuiging. “Ja maar, die kachel is uit” protesteerde mijn oom. “Net daarom!”

Enkele jaren geleden werd bij mijn vader de ziekte met de grote A (Alzheimer) vastgesteld. Zoals eigen aan de ziekte grijpt hij vaak terug naar het verleden. Dat heeft hij eigenlijk altijd al gedaan, hij is nogal een nostalgicus. Bovendien  is hij een geboren verteller, doch de laatste jaren vindt hij zijn woorden steeds moeilijker. Onder andere daaraan hebben we gemerkt dat er wat aan de hand was.

Onlangs herhaalde hij de anekdote, die we natuurlijk allemaal al kennen. “Toen onze Laurens ging samenwonen, wou Jaak weten wat ik ervan vond.” “Tja, wat moet ik daarvan vinden?” antwoordde ik. “Zouden ze samen slapen?” vroeg Jaak. “Daar steek ik mijn vrouw voor in de stoof dat dat niet het geval is.”

Hij rondt zijn verhaal af en  ondertussen zitten mijn moeder en ik  onderling te gniffelen. “Ge staat er kwaad op, mama, zo in de stoof belanden.”  “Ja, ik denk het ook”.  We zien er de humor wel van in. Amper een half uur later krijgen we de juiste versie te horen.

Vandaag op het werk.

Ik bracht even een bezoekje aan een koppeltje in het nabijgelegen woon-en-zorgcentrum voor administratieve ondersteuning. Wanneer ik de deur van de ingang naar de derde verdieping opendoe, kijkt een grijze man me verwachtingsvol aan.  “Jij bent Mia niet,” zegt hij teleurgesteld. “U wacht op Mia?” vraag ik overbodig. “Ja, Mia, mijn vrouw… mijn aanverwant,” twijfelt hij. “Ze zal zo meteen wel komen,” sus ik hem. “Neen, ze blijft maar achter, ik ben al uren aan het wachten.” antwoordt hij behoorlijk geërgerd.

Voor me staat een flinke oude man.  Afgaand op het uiterlijk, niet het type dat je in een rusthuis zou verwachten. Op fysiek vlak lijkt hij immers nog heel goed te functioneren. Alhoewel ik niet voor hem kom, wil ik hem niet negeren. “Weet u wat,” stel ik voor en ik wijs in de richting van de televisie die zonder publiek staat te bollen. “Gaat u daar even zitten om wat TV te kijken en dan gaat het wachten veel vlugger. Voor u er erg in hebt, is ze daar.” “Neen, dat wil ik niet,” mokt hij als een verongelijkt kind. “Ik kan wel aan het janken gaan,” vervolgt hij en de daad bij het woord voerend buigt hij zich voorover en laat zijn hoofd snikkend op de balie zakken. Binnen afzienbare tijd herpakt hij zich echter, wandelt bij me weg en roept zijn Mia.

Ik stap binnen bij het echtpaar dat op mijn komst zit te wachten. Een kwartiertje later wordt er op de deur geklopt. “Is Mia hier?” vraagt de wachtende man. “Nee, die is hier niet,” antwoordt de bewoonster gelaten. Terwijl hij de deur achter zich dichttrekt, vertelt ze me dat zijn zoektocht dagelijks kost is, ook ooit ’s nachts.

Eenzaamheid, wanhoop, machteloosheid, onrust, angst, onzekerheid… een schrijnende situatie.

Mijn moeder heet ook Mia. Wordt dit het verhaal van mijn vader?

 

 

oogtoepoes

21 Jan

Vroeger was ik een uitgesproken hondenmens. Zolang als ik me kan herinneren, hadden we thuis een hond. Een loslopende hond, zoals je wel vaker ziet op boerderijen, doch nooit een kuitenbuiter. En altijd van het merk ‘bastaard’. Er zaten lieve exemplaren tussen Bobby, Bobby en Bobby. En Astra niet te vergeten, één van de weinige honden die niet Bobby hoefde te heten.

Toen ik ging samenwonen was het gedaan met huisdieren. Op ons appartementje was dat niet mogelijk. En later, toen we een huis kochten, vonden we het niet aangewezen om een huisdier aan te schaffen omdat we veel te weinig thuis waren. Op een keer bracht mijn man echter twee onderkomen katjes mee, die hij, bibberend in een kartonnen doos,  langs het kanaal had aangetroffen. Als fervent hondenmens moest ik er aanvankelijk niets van weten, maar dat heeft slechts enkele uren geduurd. Vanaf dan werd ik een kattenmens. De beestjes mochten overdag binnenkomen, maar ’s avonds werden zij buitengelaten zodat ze op jacht konden gaan. Zo kwam het wel eens voor dat er eentje weken aan een stuk wegbleef, dan plotsklaps weer opdook om vervolgens weer voor een tijdje te verdwijnen. Ik vond het best zo, een dier is een dier en moet je in zijn wezen laten.

We verkochten ons huis om tegenover mijn ouders te gaan bouwen en gingen tijdelijk bij hen inwonen.  Eén kat verhuisde mee, maar de andere was op dat ogenblik spoorloos en werd dus noodgedwongen achtergelaten.  Ik vond het jammer, heel jammer zelfs, maar heb er geen traan om gelaten. Hij was een plantrekker en wellicht zal hij een nieuwe thuis gevonden hebben. De andere kat was heel schuw en is uiteindelijk weggelopen van haar nieuwe stek, mogelijk omdat er ook een hond huisde.

Toen we verhuisden naar onze nieuwe woning, maande ik mijn man aan om geen katten meer op te snorren. We hadden een kapitaal uitgegeven aan gordijnen tot op de grond en lederen zetels, beide nefast voor scherpe nageltjes. Dat weerhield mijn man er niet van om toch weer een verstoten mormeltje met ontstoken ogen mee te brengen. De kinderen waren in hun nopjes. Ik minder, maar Karel, een rosse kater, werd al vlug in mijn hart gesloten en wonder boven wonder liet hij onze gordijnen en zetels met rust.  Hij was een schatje, had meer hondenmanieren dan kattenstreken, in die zin dat hij niet zo eigenwijs was, zelfs vrij goed luisterde en heel aanhankelijk was. Helaas maakte hij me ziek. Het duurde even voordat we de link gelegd hadden, maar de uitslag van de allergietesten was overduidelijk. En het verdict van de specialist onverbiddelijk: het beest moest weg, wilde ik geen astma gaan ontwikkelen. Gelukkig waren mijn ouders, die inmiddels hondloos waren, bereid hem te adopteren zodat de kinderen hem niet hoefden te missen.

Telkens als ik bij mijn ouders de was ging ophangen – ik gebruik hun overdekte wasdraad, nu nog steeds – kwam Karel enthousiast aangerend. Aanvankelijk liet ik me nog verleiden om hem te aaien, maar daar ben ik vlug mee gestopt want de gevolgen lieten zich raden. En zo creëerde ik, weliswaar met pijn in het hart, een afstand. Hoe afstandelijker ik werd, hoe gemakkelijker dit me afging. Als ik met iemands huisdier geconfronteerd werd, zou de eigenaar nooit een dierenliefhebber in me vermoed hebben, zo onverschillig gedroeg ik me na verloop van tijd. Bovendien deed ik alles om contact te vermijden, alsof ik een panische angst voor hun huisdier had of er vies van was.

En toen verscheen zij op het toneel: de oogtoepoes.

Ze had een plekje veroverd op onze vensterbank. Zonder vragen. Opeens was ze er. Volgens mijn vader had ze jaren in de velden geleefd. Ze werd gevoerd door de buren, maar vertoefde duidelijk liever bij ons. Met één oog gluurde ze binnen. Het andere was ze waarschijnlijk kwijt. Het was geen griezelig zicht, het oog was gewoon dicht,  waardoor het leek alsof ze continu knipoogde.

Het is nu ruim een jaar geleden dat we haar voor het eerst zagen. Aanvankelijk letten we er niet zo op, maar na een tijdje begon het op te vallen als ze er eens niet was. Stiekem vond ik het wel gezellig, zo een kat op de vensterbank. Het was duidelijk geen wilde kat van oorsprong, want ze liet zich gemakkelijk aaien en oppakken, door Arte dan, want zelf bleef ik er met mijn poten vanaf. Ik had me voorgenomen om afstand te bewaren en aanvankelijk lukte dat goed. Het heeft maanden geduurd vooraleer ik haar zelf begon te voeren en nog eens maanden vooraleer ik haar voor de eerste keer voorzichtig aaide, waarna ik uiteraard grondig mijn handen waste. Vervolgens ging er weer een tijdje overheen vooraleer ik haar kortstondig binnenliet. Tegen beter weten in hoopte ik met korte contacten resistent te worden, alhoewel me destijds door de specialist werd duidelijk gemaakt dat dit een utopie is. En dat word ik gewaar.  De niesbuien nemen onmiddellijk toe wanneer ze nog maar één poot heeft binnen gezet. Onbedoeld heb ik haar vetgemest (ligt meer aan de kwaliteit van wat ik haar voer dan aan de kwantiteit). Hierdoor en door haar winterpels kan ze de huidige koude goed trotseren. Dus laat ik mijn gezond boerenverstand spreken en blijft ze onverbiddelijk (alhoewel ik het af en toe niet kan laten, hatsjie!!!) buiten.

Al krijgt ze een warm plekje én een foto van haar beste zijde (= mét oog) op deze blog…

 

SONY DSC