Archief | december, 2014

weg bescheidenheid

23 Dec

IMG_1505 IMG_0751IMG_1507 (2) Als trotse moeder wil ik toch wel even laten zien wat “Arte” ervan bakt in het kunstonderwijs.  Alleszins meer dan ik bij het plaatsen van deze afbeelding. Geen flauw idee hoe ik die lelijke roze kaders wegkrijg. Maar als ge op de afbeelding klinkt, verdwijnen ze en komt de tekening beter tot zijn recht. Wat echter veel belangrijker is: Arte is helemaal opengebloeid en veel socialer geworden sinds ze in het kunstonderwijs zit en vooral dat maakt me heel blij.

vragen zonder antwoorden

21 Dec

Dag Els

Mag ik je eens een persoonlijke vraag stellen? Al denk ik –  neen, ik weet het wel zeker – dat je me het antwoord schuldig zal blijven. Wanneer heb je ontdekt dat het mis begon te gaan? Of had je niets in de gaten? In de veronderstelling dat dit wel het geval was: maakte je je er zorgen over? Of onderschatte je het probleem? Waren er mensen bij wie je dit wel eens aankaartte? Zoals je man of, indien je hem niet wou verontrusten, je huisarts?

Ik herinner me nog goed toen je voor de eerste keer bij onze club kwam lopen. Ik zag een jonge, knappe vrouw. Ik schatte je van mijn leeftijd, zelfs wat jonger, doch je bleek liefst acht jaar ouder te zijn. Je was er toen zesenveertig. Weet je, Els, onlangs zag ik flarden van de film Ghost op TV en op één of andere manier deed Demi Moore me wel wat aan jou denken. Oké, begrijp dit niet verkeerd, jij was eerder een huis-tuin-en-keukenversie van haar, maar niettemin een zeer aantrekkelijke vrouw, een frisse verschijning. We konden het meteen goed met elkaar vinden. En blijkbaar kon je mijn getetter wel waarderen, want je zocht vaak mijn gezelschap op tijdens het lopen.

Het ging een jaar goed en toen begon je conditie op onverklaarbare wijze af te nemen. We – de andere loopmaatjes en ikzelf – adviseerden je om naar de dokter te gaan om je te laten onderzoeken. Je leek dit niet nodig te vinden. Je ging skiën en werd vervolgens slachtoffer van een hardnekkige griep waardoor je in totaal een viertal weken niet kwam trainen. Hierdoor liep je echter een behoorlijke achterstand op. Nochtans niets onoverkomelijks.

Els, je weet dat het gebruikelijk is in onze club dat lopers die door omstandigheden, bv een blessure, tijdelijk niet kunnen volgen een poosje met een tragere groep meelopen totdat ze terug hun oude niveau bereikt hebben. Blijkbaar was de drempel voor jou heel hoog om naar een andere groep over te schakelen. Het duurde dan ook een tijdje vooraleer je de stap effectief zette. Toen ik later enkele woorden met jou wisselde, kreeg ik de indruk dat je het me kwalijk nam dat ik er niet voor gekozen had om samen met jou te trainen. Je leek ineens zo afstandelijk en ongeïnteresseerd.

Niet lang erna bleef je helemaal uit beeld.

Je ziekte nam een grote vlucht. Op korte tijd was je nog maar een schim van jezelf.  Figuurlijk, niet letterlijk, want in gewicht was je behoorlijk toegenomen. Naar verluid. Want ik heb je nooit meer in levende lijve gezien. Je overlijden kwam als een schok. Het is nu al meer dan een jaar geleden, maar ik denk nog vaak aan jou. Vooral omdat ik soms denk dat ik hetzelfde lot zal ondergaan. ’t Is niet dat ik niet meer weet wat ik doe, maar ik stel toch vast dat ik vaak verward ben en mezelf tot de orde moet roepen. Had jij dat ook? Ik hoorde zeggen dat ze op je werk aanvankelijk dachten dat je fraudeerde. Er zou zelfs een onderzoek naar je zijn ingesteld, maar al spoedig kwam men tot de conclusie dat er meer aan de hand was. Men nam contact op met je echtgenoot en de bal kwam aan het rollen.

Els, inmiddels is bij mijn vader dezelfde ziekte vastgesteld. Zijn ziekte is nog maar in het beginstadium, doch we weten allebei dat hij niet meer te genezen is. Hij is bijna tachtig en jij hebt zelfs de vijftig niet gehaald. Dat is toch wel een wezenlijk verschil, vind ik. Bij mijn vader is het momenteel soms nog om mee te lachen. Tenminste, als je ironisch ingesteld bent, want eigenlijk is het verre van grappig.  De dagen nadat de diagnose werd gesteld, vergat hij immers voortdurend om welke ziekte het ging. Telkens moesten hem dan antwoorden dat het Alzheimer betrof.

Els, ik ben bang…

libi-wat?

18 Dec

Mijn man en ik trainen bij een gezellig loopclubje. Gisteren was er een loopmaatje jarig en hij trakteerde met sprankelende cava en quasi-ambachtelijke bitterballen van Kwekkeboom. Dit laatste is een beetje een interne joke. Enkele jaren geleden bestelde een ander loopmaatje tijdens een loopstage aan de kust, nadat we ongeveer 20 km gejogd hadden en een terrasje aandeden, twee porties bitterballen. Voor twaalf stuks betaalde hij liefst – doch niet graag – achttien euro. Dat het ronde Kwekkeboompjes betrof, bood maar een schrale troost. Bij hem lieten die peperdure snackskes een bittere nasmaak na. Doch wij hebben een club-anekdote die hem de rest van zijn leven zal achtervolgen.

Om half tien waren we terug thuis. We hadden een miezerig weertje getroffen, dus een warm badje zou wel deugd doen. Misschien niet heel milieuvriendelijk, maar wij badderen bijna altijd samen, dat scheelt toch wel een slok op een borrel. Niet voor niets trouwens dat we een kuip kochten met het stopje in het midden. Als ik even een geheimpje mag verklappen: een beetje alcohol werkt nogal libidoverhogend bij mij. Eén glaasje is genoeg. Overschrijd ik deze hoeveelheid, dan heeft het eerder een slaapverwekkend effect.

Tot zover deze inleiding.

We stappen dus uit onze auto en ik was behoorlijk “in the mood” en dat op een doordeweekse woensdag. Totdat mijn man zijn eerste loopschoen in onze hal neerpootte. De natte afdruk van zijn zool tekende zich haarscherp af tegen onze pas gepoetste vloer.

“Wat doe je nu?” kreet ik “Daar gaat mijn libido.”

“Je libido?” vroeg hij verbaasd. En hij keek verward en mogelijks ook lichtjes beteuterd in de richting die mijn wijsvinger aangaf, namelijk daar waar zijn voetafdruk geëtst stond op onze grijze vloer.

“Neen, niet mijn libido. ’t Is nu mijn libiDON’T.”

Na deze magnifieke woordspeling bleven manliefs ballen verbitterd achter…

noem het gebrek aan orde, ik noem het een onomstotelijk bewijs van eskaagee*

1 Dec

Helemaal zen.

Helemaal zen ben ik  terwijl mijn collega’s rondlopen als een stelletje koploze kippen, omdat ík mijn autosleutel niet vind, terwijl ik op het punt sta om naar huis te gaan. “Schud je handtas leeg”, klinkt het en er wordt geen genoegen genomen met mijn antwoord dat ik dat al twee maal gedaan heb. Ondanks lichtjes tegensputteren van mijnentwege blijft mijn collega ongegeneerd toekijken terwijl nutteloze kassabonnetjes, koperen muntjes, apart verpakte maandverbandjes in  meerdere diktes, een eenzame tampon en nog allerhande prullaria rusteloos een rustpunt zoeken op mijn bureau. Geen autosleutel te bespeuren, wel een licht plaatsvervangende schaamte bij mijn collega, omdat mijn onnauwkeurig gecamouffleerde slordigheid zo expliciet tentoongesteld wordt.

Helemaal zen blijf ik. Ah ja, want ik ben zulke toestanden gewoon.

“Stop met zoeken, ik trek mijn plan wel”, maan ik mijn collega’s gewetensvol aan tot kalmte. Zij moeten toch niet de dupe worden van mijn overmatige nonchalantie.  Maar ze weten van geen ophouden, de schatten.  Er wordt gezocht op de gekste plaatsen: de frigo, waarin ik mijn middageten bewaarde, de tjokvolle bureaukast, waarin ik net voor mijn vermeende vertrek nog snel een paar dossiers propte, zelfs het nauwelijks gebruikte papiermandje wordt meedogenloos omgekieperd. Ondertussen wordt het vuur aan mijn schenen gelegd : wat had ik als eerste gedaan bij binnenkomst?, was ik nog op huisbezoek geweest?, wanneer had ik mijn sleutel voor de laatste keer gezien?, stak hij misschien nog in het contact? (neen, dat had ik uiteraard al gecheckt), kon iemand anders hem per ongeluk meegenomen hebben?

Die laatste vraag had ik me zelf ook al gesteld en moest ik eigenlijk beamen.  ’s Voormiddags had ik onverwacht bezoek gekregen van mijnheer Citroen, één van mijn klanten wiens budget ik beheer. Zijn naam, uiteraard fictief, verwijst gelukkig meer naar het merk van zijn auto dan naar zijn zuurtegraad. Net als bij mij. Misschien had hij per ongeluk mijn sleutel, een duplicaat van de zijne, meegenomen. Ondanks deze zware vermoedens weigerde ik hem te bellen. Mijnheer Citroen is immers van het nerveuze type. Het feit dat hij de laatste tijd bovendien wat verward begint te worden, heeft zeker geen kalmerend effect op hem, integendeel. Ik wou hem dus geenszins lastigvallen met iets waarmee hij hoogstwaarschijnlijk niets  te maken had. Hij zou me dan toch allang gebeld hebben, niet? Mijn nutteloze telefoontje zou zijn nervositeit alleen maar doen toenemen.

Een half uur later en nog steeds sleutelloos, beslis ik dan toch maar om mijnheer Citroen te contacteren. Ik val niet meteen met de deur in huis en doe alsof ik hem nog over ’t een en ’t ander moet inlichten. Wat ook het geval is, maar niet zo dringend dat ik hem daarvoor per se nog dezelfde dag moet bellen. Net voor hij wil inhaken, vraag ik langs mijn neus weg of hij misschien per ongeluk mijn autosleutel meegenomen heeft. “Weet ik niet,” antwoordt hij direct, “maar ik had wel ineens twee sleutels bij toen ik thuiskwam.”  “Zou het mijn autosleutel kunnen zijn,” pols ik zachtmoedig. “Dat zou best kunnen. Ik denk het wel.” “Kan u hem dan brengen, want ik kan hem niet komen halen, ik kan immers niet weg zonder autosleutel.” “Ja, dat zal ik doen, maar dan kom ik onmiddellijk, want ik moet om 17u45 ergens zijn.” “Dat zou fijn zijn, mijnheer Citroen. Alvast bedankt.”

Een kwartiertje kruip ik lichtjes verzuurd in mijn citroentje. Ik had bijna een uur vroeger thuis kunnen zijn, maar weiger medelijden te hebben met mezelf. Eigen schuld, dikke bult. Jammer dat ik geen ezel ben…

*stressbestendigheid, klantvriendelijkheid en geduld