Archief | januari, 2013

jezelf verliezen…in je indringende job

16 Jan

Nog steeds heb ik de tofste job ter wereld. Maar ik heb te veel werk.  Ik weet het : in tijden van crisis mag ik niet klagen hierover en dat wil ik ook niet.  Het is gewoon een feit. Een feitelijkheid waarmee ik me zal moeten leren verzoenen door mijn werk op een andere manier aan te pakken.  Het moeilijkste vind ik om ervoor te zorgen dat de cliënten niet het gevoel krijgen dat ik niet genoeg tijd voor hen heb. Dat een verpleegkundige tijdens haar overvolle ronde geen tijd kan nemen om naar het verhaal van de mensen te luisteren is een spijtige evolutie, maar als zelfs een maatschappelijk werker daarvoor geen tijd meer heeft…

Het aantal dossiers is zodanig toegenomen (leve de vergrijzing!) dat alles me de laatste tijd meer en meer door elkaar begint te lopen.  Regelmatig betrap ik me erop dat ik dossiers door elkaar haal.  Gelukkig tot heden nog zonder al te zware consequenties.  Vroeger  hoefde ik op een gespreksnotitieblaadje maar een half woordje op te schrijven om me de rest van de context of de afspraken voor de geest te halen.  Dat is echter voltooid verleden tijd.  Ik kan het gewoonweg niet meer onthouden.

Enkele maanden geleden maakte ik me er dermate zorgen over dat ik er mijn huisarts op aansprak. Volgens hem hoefde ik me niet ongerust te maken.  “Mocht je dement zijn, zou je er zelf niet over beginnen, omdat je het niet eens in de gaten zou hebben,” stelde hij.  Vervolgens vergeleek hij me met een computer.  “Werk je wel eens met een computer?”, vroeg hij. “Veel te veel”, dacht ik, niet eens doelend op mijn beroepsactiviteit.  “Ja”, mompelde ik bijna onhoorbaar, lichtjes verteerd door schuldgevoelens. “Als er te veel programma’s openstaan op de computer, dan gaat ie trager werken. Dat is dus wat jij ook aan de hand hebt,” concludeerde hij. Het leek me een plausibele uitleg.

Terzelfdertijd wordt de werkinhoud (hulpverlening aan 65-plussers) met de dag confronterender. Enerzijds omdat de mensen waarmee ik te maken krijg in de leeftijdscategorie zitten van mijn ouders.  Alhoewel mijn ouders nog relatief goed kunnen voor hun leeftijd (77 jaar), hebben ze, zoals vele leeftijdsgenoten, last van enkele ouderdomskwaaltjes.  Het is nog niets onoverkomelijks, maar ooit gaat er een tijd komen dat…

Iedere dag opnieuw word ik geconfronteerd met beperkingen en klachten waarmee ouderen te maken hebben. Hoe ouder ik word, hoe banger ik word om zelf oud te worden.  Helaas is het de enige manier om lang te leven. Ik heb schrik dat ik me er niet mee zal omkunnen.

Met de uiterlijke aftakeling zit ik niet zo in. Nog niet tenminste.  Ik heb mezelf immers nog nooit zo knap gevonden als heden ten dage, al was ik twintig jaar geleden – objectief gezien – veel knapper. Vanaf ongeveer tachtig jaar – voor sommigen zelfs tien jaar vroeger – beginnen alle oude vrouwen er zowat  hetzelfde uit te zien (geen wonder dat ik dossiers door elkaar haal!), namelijk als oude vrouwen: grijs gepermenteerd haar, uitgezakte kin, flubberige armen,… Er zijn heel wat mannen, zowel jongere, als oudere, die een vrouw van veertig aantrekkelijk vinden.  Als een vrouw echter dubbel zo oud is, dalen deze aantallen spectaculair.  Het moet vreemd zijn om door niemand meer, behalve misschien je partner, aantrekkelijk bevonden te worden. Je partner kan nog terugvallen op hoe je er als jonge vrouw uitzag. Misschien ziet hij door je rimpels heen een fris gezicht.  Mensen die je echter pas leren kennen op het moment dat je een gezegende leeftijd bereikt hebt, kunnen volgens mij nooit meer door de rimpels heen kijken.

Wat me echter meer zorgen baart, is hoe ik later zal omgaan met de lichamelijke klachten en beperkingen die onvermijdelijk zullen toenemen.  Dagelijks ontmoet ik mensen die dit aan den lijve ondervinden.  Hoe ouder ik word, hoe meer ik me afvraag hoe ik dat zal verteren.  De weinige mensen die er gemakkelijk mee omkunnen stralen, ondanks hun beperkingen, een levenslust uit om jaloers op te zijn.  Ik vraag me af of je dit kan leren of dat het eerder de aard van het beestje is.  Als je het kan leren, zou ik graag weten hoe en waar.  Ondanks mijn contacten met ervaringsdeskunigen, heb ik nog geen antwoord gekregen/gevonden op deze vragen. Maar wat als het de aard van het beestje is?

Als geboren pessimist heb ik in de loop der jaren op één of andere manier heel wat optimisme verworven. De aard van het beestje kan dus toch een beetje veranderd worden.  Ik vermoed dat mijn partner en gezin hier mee verantwoordelijk voor zijn. Optimisme lijkt me alvast een goed begin om later met een vermindering van de zelfredzaamheid om te kunnen. Of zullen de beperkingen het aangeboren pessimisme terug aanzwengelen?

Alleszins, hoe ouder ik word, hoe meer ik mijn werk ervaar als een leerschool.  Echter, een leerschool met louter ervaringsdeskundigen als indirecte lesgevers, waardoor er geen pasklare antwoorden zijn op al mijn onuitgesproken (beter verwoord: onstelbare) vragen.

Geen wonder dus dat ik me er nu en dan in verlies…

een gedicht dat nog nader wordt toegelicht

13 Jan

jezelf verliezen

in je  indringende job

in de puinhoop van je huishouden

in de routine van elke dag

in de warmte van je gezin

in je parallelle leven

in het doolhof van jezelf

hopeloos verloren lopen

.

.

.

.

wordt vervolgd…

zo zijn

2 Jan

mutabel

ongrijpbaar

onbegrijpelijk

persoonlijk

onbegrensd

pervers

ondeelbaar

hardnekkig

ongecensureerd

chaotisch

talrijk

onpeilbaar

eindeloos