Archief | september, 2012

vals

28 Sep

Net als alle mensen ben ik hypocriet.  De bloglezer die nu bij zichzelf denkt ‘maar ik niet’ is een leugenaar. Voilà!

We weten  allemaal dat we het milieu naar de verdommenis aan het helpen zijn en toch doen we lustig verder.

Jij  niet?  Maak dat de kat wijs. Je bent geen haar beter dan de rest!

Net als de meeste mensen denk ik van mezelf dat ik mijn best doe om milieubewust te leven. Maar als ik heel eerlijk ben, is ‘mijn best’ nog lang niet goed genoeg.

Oké, we hebben maar één auto en dat is niet louter uit financiële overwegingen.  Met die auto doen we ongeveer 23.000 km per jaar, wat in vergelijking met anderen meevalt, aangezien ik bijna 30 km van mijn werk woon. Ik hoef me niet schuldig te voelen omdat ik dit traject niet per fiets doe,  er is niemand die dit van mij verwacht.

Oké, we sorteren zoals het hoort en doen niet aan sluikstorten, ook al is de gemeente waar we wonen bij de duurste qua milieubelasting.

Oké, we gaan één keer per jaar naar het buitenland per auto, maar dit is alleszins milieuvriendelijker dan met aluminium vleugels.

Oké, we hebben zonnepanelen op ons dak liggen.  Iedereen weet dat dit milieuvriendelijk is.  Behalve de criticasters, maar die zijn gewoon strontjaloers.

Oké, we drinken altijd water uit de kraan en hebben bewust geen zwembad, omdat we dit onethisch vinden. We hebben een waterreservoir van twintigduizend liter om te wassen en de toiletten door te spoelen. Onze bescheiden regendouche verbruikt ‘slechts’ acht liter water per minuut en geen achttien.  Tijdens de kleutertijd van onze kinderen gooiden we het badwater niet met het kind weg, maar herbruikten het voor onszelf.

Bijgevolg twijfelden we geen seconde, toen we vorig weekend op de markt onverwachts geïnviteerd werden om mee te  zingen  voor het klimaat. Uiteraard moffelde ik eerst nog vlug een plastiek zakje met dito doosje met roerbakvis in mijn sacoche. Dat zou immers niet goed overkomen in beeld. Onverstelbaar trouwens hoeveel zakjes je krijgt als je aankopen doet op de markt.  Vervolgens genoten we van de ambiance en zongen we vol overgave mee, totdat onze kelen schor waren.

Het beïnvloedde ons zelfs ’s anderendaags nog positief.  We togen immers braaf op onze fiets om naar ons loopparcours te gaan.  Normaal rijden we drie km heen en even ver terug om tussenin tien kilometer te joggen.  Achteraf was ik uiteraard toe aan een douche, net zoals de rest van mijn gezin.  Ondanks alle goede voornemens kon ik echter niet aan de lokroep van een lekker heet goedgevuld bad weerstaan.

Een uur later kroop ik er warm en voldaan uit.  Uit de radio schalde het liedje dat ik ’s daags voordien nog lustig meegezongen had.  Aangezien ik de tekst inmiddels van buiten kende, zette ik enthousiast mee in.

Vreemd genoeg, klonk het plots een beetje vals…

https://www.youtube.com/watch?feature=player_embedded&v=OVnedIW1y8E

een verhaal met een kleinkantig staartje

20 Sep

Wat eraan voorafging, lees je hier.

——————————————–

De appel valt niet ver van de boom.

Onze jongste dochter lijkt fysiek veel op haar vader.  ’t Is te zeggen: haar vrolijke toetje.  Haar stevige stimpels (*dialect voor stevige, korte benen; nog zonder spataders evenwel) en ronde billen (een ongelooflijk lekker kontje in een jeans, zelfs op veertigjarige leeftijd) heeft ze onmiskenbaar van mij.

Vreemd echter hoe het uiterlijk van de kinderen in de loop der jaren kan wijzigen.  Zo ook bij mijn zus en mij.  Vroeger was ik een kopie van ons moeder, zij leek eerder op ons vader.  We hebben een ander figuur – zij is bijna vijftien cm groter dan ik, alleen in de lengte, niet in de breedte – en je zou niet zeggen dat we zussen zijn.  Tot de laatste jaren… met ouder worden beginnen we meer en meer op elkaar te gelijken.  Van gezicht alleen. Groeien doe ik niet meer.  Toch niet in de lengte. Helaas.

Enfin, om terug te komen op mijn dochter.  Het is een lief en vrolijk meisje.  Eigenlijk helemaal anders dan ik was als kind.  Ik was veel serieuzer, véél serieuzer, eigenlijk te serieus voor mijn leeftijd.  Ik kon ooit piekeren over zwaarmoedige thema’s zoals bijvoorbeeld de dood en daar dan behoorlijk door van slag geraken. Hiervan lijkt onze jongste totaal geen last van te hebben. Behalve ten tijden van de ‘Sledgehammer’. Toen begon ze te beven als een rietje als je het woord nog maar luidop uitsprak, totdat ze het heft in eigen handen nam en haar demonen overwon.

Herinner je je nog, beste bloglezer,  hoe ik  zo dom was om haar te beloven om naar Bobbejaanland  te gaan en er geen enkele attractie te schuwen.

Ik ben een vrouw van mijn woord.

Allee, dat dacht ik toch.  ’t Is eerder een kwestie van wishfull thinking. Ik ZOU een vrouw van mijn woord WILLEN zijn. En dat niet alleen.  Ik zou ook een goede moeder willen zijn die eerst aan haar kinderen denkt en dan pas aan zichzelf.  Oeps, lukt niet altijd.  Ik zou bovendien een perfecte echtgenote willen zijn die altijd geïnteresseerd luistert naar haar man. Oeps, lukt niet altijd. Soms moet ik een zelfs een geeuw onderdrukken als ik een technische uitleg krijg  waarvan ik geen snars begrijp.  Erger nog, ik doe zelfs geen moeite doen om het te begrijpen, ook al vertelt hij met veel veel enthousiasme over zijn werk. Egoïste dat ik ben. Verder zou ik een  uitmuntende hulpverlener willen zijn die zich nooit laat leiden door eigen waarden en normen, maar louter vertrekt vanuit de noden van de cliënt.  Weeral oeps.

Ik denk van mezelf dat ik altijd eerlijk ben, maar ik ben het niet. Niet erg, want té eerlijke mensen vind ik meestal niet zo sympathiek.  Ik zou consequent willen zijn en blijven vasthouden aan mijn principes. Zo vind ik zonnepanelen niet milieuvriendelijk. Desondanks bedekken ze een groot deel van ons dak. Vaarwel principes en leve het winstbejag.  Heb ik al verteld dat ik van mezelf vind dat ik niet materialistisch ingesteld ben? Tevens maak ik mezelf wijs dat ik gezond eet, maar vergeet uit gemak al de nutteloze lekkere calorieën die ik dagelijks binnenkap. Meestal zelfs stiekem, als niemand het ziet, zeker de kinderen niet. Snoepen is immers slecht voor hun tanden. Hypocriet ben ik dus ook. En nu ik toch bezig ben: opportunistisch eveneens, als het me uitkomt tenminste, maar dat is altijd zo met oppurtunisme, naar het schijnt.

Zoals beloofd trokken we dus ergens in de loop van augustus naar het verre Bobbejaanland, waar  ik, zodra we de grens overstaken, moedwillig en bijna zonder scrupules mijn andere beloftes in de doofpot stopte. Ik was wel zo leep om er een slinkse draai aan te geven. “Neen, in die carrousel kruip ik niet. Echt niet, hoor.  Iets wat alleen maar rondjes draait, maakt me misselijk voor de rest van de dag. En het zou toch jammer zijn als ik me al vanaf het begin mottig voel, niet?” Wel was ik bereid om mee in de Dizz te gaan, een nieuwe attractie die ik nog niet kende.  Een achtbaan met wagentjes voor maximaal vier personen, die ook nog eens rond hun as draaien.  Eigenlijk evenmin mijn ding, maar onze jongste was er zo enthousiast over dat ik deze keer niet durfde weigeren. Wonder boven wonder bleek het ding dat mijn ding niet leek te zijn tóch mijn dada te zijn.  Dus toen onze jongste voorstelde om nog eens aan te schuiven, was ik er meteen voor te vinden.

De anderen wilden zich door de Sledgehammer laten slingeren en mijn man spoorde onze jongste aan om mee te gaan. Neen, te eufemistisch uitgedrukt.  Hij was nogal opdringerig in zijn aanmoediging, op het agressieve af zelfs. Waarop ik meteen partij koos voor onze jongste, maar – je hebt het vast al door, beste bloglezer – vooral uit opportunistische overwegingen.  Als zij niet meehoefde, kon ik er wellicht ook aan ontsnappen.

Dus maakte ik me snel uit de voeten met dochterlief voor een extra Dizz-ritje. Vervolgens doorkruisten we in gezinsverband het ganse park en kropen we van de ene attractie in de andere.  Het was ideaal pretparkweer, zacht genoeg om jasloos rond te lopen en bewolkt genoeg om niet te verbranden.  We hadden ook geluk met de wachttijden die maximum 25 minuten bedroegen. Net de tijd die ik nodig had om te beletten dat de opkomende misselijkheid zich zou opstapelen, maar telkens weer netjes kon wegebben. Mijn man bleef er bij onze jongste op hameren om mee in de Sledgehammer te gaan, zodra we er opnieuw zouden passeren.  Hij weigerde te geloven dat ze dit ooit gedurfd had en wou het dus met eigen ogen zien.

De discussie tussen beiden laaide op en ik begreep niet dat hij haar niet op haar woord wilde geloven.

“Allee, zie je dat dan niet”, vroeg hij geprikkeld “dat kind is nooit in de Sledgehammer geweest.  Je ziet toch aan haar manier van doen dat ze liegt hierover, toen en nu weer.” Neen, dat zag ik niet.   Haar kinderlijk enthousiasme had me destijds overtuigd. Ik keek haar onderzoekend aan en plots begon het me te dagen. “Is het waar wat papa zegt?” Stiekem hoopte ik dat ze zou ontkennen omdat dat nu eenmaal de waarheid was.  Schoorvoetend gaf ze echter toe dat hij gelijk had.

Even was ik teleurgesteld om haar leugen.  Een leugentje om bestwil kan ik tolereren, maar dit… Maar dan besefte ik dat de grens tussen een échte leugen en een leugentje om bestwil vaak  flinterdun is.  Ze had haar trauma op eigen houtje verwerkt. Op haar manier weliswaar, so what. Was het trouwens fair van mij om boos op haar te zijn?  Zelf was ik immers geen haar beter.

Zoals ik al schreef: de appel valt niet ver van de boom.

Ik, een zotte doos? Net niet!

1 Sep

Sinds enkele jaren ben ik fan van kleedjes.  Deze zomer heb ik er zelfs vier bijgekocht.  Ik kon het gewoon niet laten.  Onlangs wipte ik na het werk vlug even binnen in een vrij nieuwe winkel (van een grote keten die ik eerder nog niet kende) hier in de buurt.  Een waarlijk kleedjesparadijs! In het begin van de zomer had ik er twee exemplaren gekocht en nu wou ik eens checken wat de nieuwe collectie te bieden had.  Enkel kijken, maakte ik mezelf wijs.  Binnen drie minuten stond ik voor de spiegel met een nieuwerwets – op de jaren zeventig geïnspireerd – stofje rond mijn lijf gewikkeld.  Ik ontwaardde een mooi decolleté met een knoopachtige drapage onder de borsten wat leidde tot uitwaaierende plooitjes die een buikjesverdoezelend effect beoogden.  Ze bereikten duidelijk hun doel. Perfect dus. Toch kon ik het niet nalaten om eens verder te snuffelen.

Zo ontdekte ik een ander jurkje met een gestroomlijnder model.  Een klassiek, aansluitend mouwloos lijfje verbonden met een klassiek mantelpakjesachtig rokje tot  net boven de knie.  Echter, vervaardigd uit een speciaal stofje.  Een neutrale zwarte ondergrond bedekt door een romantisch bloemetjestafereel in een grovere gordijnstof, onderaan afgebiesd met een lieflijk zwart kantje.  Werkelijk een merkwaardig weefsel.  Op het eerste zicht lelijk, maar ik kon het toch niet laten om het eens te passen.  Ik was aangenaam verrast.  Ook dit zat als gegoten rond mijn lijf.  Van de drie bijkomende vakantiekilo’s die aan mijn lichaam waren bleven kleven, was er geen grammetje te bespeuren. Integendeel, deze japon zonder zichtbare verdoezeltruukjes vond ik zelfs nóg flatterender dan de vorige.

Nu kreeg ik de smaak helemaal te pakken en in mijn nieuwe jurkje paradeerde ik tussen de rekken op zoek naar nog meer verrassingen.  Ik begaf me opnieuw richting paskamer met een ander fleurig textieltje.  Ook niet mis, maar het stond me niet zo goed als de andere twee. Vervolgens deed ik terug mijn eerste keuze aan.

“Ik vond dat vorige kleedje mooier. Ik bedoel dat zwarte met die bloemetjes.  Dat stond u echt beeldig”, sprak een andere klant me ongevraagd aan. Ik keek haar verrast aan.  Ik schatte haar vooraan in de dertig en minstens twintig kilo zwaarder dan ikzelf.  Eerlijk gezegd had ik niet verwacht dat ze me een complimentje zou geven. “Oh ja, vindt ge dat?  Vindt ge het niet te klassiek voor mij?  Ik ben dit jaar veertig geworden. Het leek me eerder een jurkje voor iemand van boven de vijftig.” “Neen, dat vind ik niet.  Ik vond het u écht fantastisch staan.” “Vindt ge het kleedje dat ik nu aanheb niet geschikter voor iemand van mijn leeftijd?”, vroeg ik onzeker. “Neen, hoor, het andere stond u veel beter. Dat was ook een mooi stofje,  zo romantisch met die roosjes.  Het matcht ook goed met  uw haarkleur.” “Weet ge wat, ik trek het nog eens aan,” zei ik, ineens overmand door twijfels omdat ik eigenlijk toch voor mijn eerste keuze wilde gaan. En we begaven ons beiden naar ons eigen pashokje om elk een jurkje te passen.

“Het kleedje dat ge nu aanhebt, staat u ook goed,” verkondigde ik bij het buitentreden om het niet alleen over mezelf te hebben. “Neen, ik ben er veel te dik in”, antwoordde ze een beetje triest. “Neen, dat vind ik niet. Ik zie ook wel dat ge niet slank zijt,” antwoordde ik naar waarheid, “maar uw lichaamsverhoudingen zijn in balans en het jurkje staat u echt wel. “Mijn borsten zijn te dik,” vervolgde ze nog droeviger. “Niet waar, ze passen in het geheel.”  “Maar ik heb er last van, de huidplooien bezorgen me uitslag. Ik wil ze laten verkleinen.” “Dat is natuurlijk wat anders, als ge er hinder van heb…” “Gij hebt zeker maatje 38”, vroeg ze met een tikkeltje gezonde jaloezie in haar stem. “Klopt,” antwoordde ik niet zonder trots. “Ik wou dat ik een lijf had zoals u, het moet heerlijk zijn om maatje 38 te hebben.” “Dat is het ook.”  Ik wou mijn contentement hieromtrent niet minimaliseren, want dat zou ze vlug in de gaten hebben en er is niets erger dan valse bescheidenheid. “En moet ge iets doen om uw lijntje te behouden?” “Toch wel,  ik loop minstens dertig kilometer per week.” “Ik train ook regelmatig op de crosstrainer, maar dat doet niets af.  Wat zou ik toch blij zijn, mocht ik een lijf hebben zoals u,” verzuchtte ze opnieuw.

“Toch heb ik ook mijn probleemzones, hoor,” trachtte ik de situatie te relativeren.  Ze keek me wantrouwend aan.  “Kijk maar,” en ik blies mijn buik op, waardoor ik plotsklaps zes maanden zwanger leek. Ik heb smalle schouders, dunne armen en helaas ook weinig boezem, en daardoor schatten mensen me altijd slanker in dan dat ik in werkelijkheid ben.  Weet ge dat mensen een tijdje terug regelmatig vroegen of ik zwanger ben?”  Ik verzweeg hierbij dat dit uit een periode dateerde dat ik wat dikker was – vóór de loopmicrobe me te pakken kreeg – en dat dit ook voornamelijk kwam door een verkeerde houding. Ze keek me met grote ogen aan, maar leek nog niet overtuigd.

Kom,” vervolgde ik en ik trok haar mee in een leegstaand pashokje. “Ik ben een beetje een zotte doos en misschien heb ik wat te veel naar Trinny en Suzanne gekeken, maar kijk hier.”  Ik trok mijn jurkje omhoog en onthulde een blote, witte, door twee zwangerschappen getekende, blubberige buik.  Hierbij schrok ik zelf van de stugge stoppeltjes onder mijn navel.  Ik moest me dringend nog eens laten harsen, maar wie had gedacht dat ik mijn buik onverwachts zou tonen aan een wildvreemde? “Hebt ge trouwens de spataders al gezien die mijn benen ontsieren, om nog maar te zwijgen over al mijn cellulitis. Volgens mij waart ge zo gefixeerd op mijn figuur dat ge dat niet eens opgemerkt hebt.” En ik wees naar de paars-blauwachtige  riviertjes op mijn linkeronderbeen en de appelsienstructuur van mijn bovenbenen.”Zo ziet ge maar, niets is wat het lijkt en niemand is perfect.”*(nvdr)

Ze was te perplex om iets te zeggen.  Was ze te gechoqueerd door mijn ongebruikelijke openhartigheid of was ze geraakt door mijn imperfectie? Wie zal het zeggen.  Feit is dat we binnen de kortste keren afscheid nam. 

Kort nadat ze vertrokken was, kwam er uit het niets een verkoopster opdagen, die me bevestigde in mijn eerste keuze. “Dat kleedje is wat speelser, die stijl is meer de uwe,” sprak ze kordaat. Ik knikte opgelucht.

Tevreden met mijn nieuwe aankoop en nog steeds blijgezind omwille het onverwachte complimentje, verliet ik  opgewekt de winkel.

.

.

.

.

.

.

*Beste bloglezer

In het cursieve gedeelte neem ik een loopje met de waarheid.  Maar het had niet veel gescheeld of ik had het wel gedaan.  Hiermee is dan ook de titel verklaard.

Grz

Joke