Archief | mei, 2012

van sterlager tot sterzager

30 Mei

Onlangs werd ik veertig en kreeg ik een cadeaubon om te dineren in een vrij chique restaurant – zonder ster(ren) evenwel – en na geen al te subtiele hint van mijnentwege.  Tussen haakjes: even nog een kleine anekdote vertellen: in onze buurt is er een sterslager, bij wie ik een tijdje geleden vlees ging kopen.  Normaliter doe ik dat in een supermarkt, maar ik had geen zin om lang aan te schuiven en luiheid kost nu eenmaal geld.  Elke vleessoort was via een etiketje op een prikker van soortnaam voorzien, voorafgegaan door de in het oogspringende boventitel ‘STERLAGER’.  Is je al opgevallen, beste bloglezer, dat hier de letter S ontbreekt? Mij alleszins wel. Toen ik aan de verkoopster met uitgestreken gezicht vroeg wat ‘sterlager’ in feite betekent, corrigeerde ze me onmiddellijk terwijl ze me aankeek alsof ik dommer ben dan het achterste van het soort beest wiens restafval in de gekoelde toog worst ligt te wezen.  Haar zelfingenomenheid was van korte duur. Toch fijn hè, om je zo af en toe eens te verkneukelen.

Hoe dan ook, ik besloot de bon samen met mijn man te spenderen op zijn verjaardag.  Zo werd het een gedeeld verjaardagsgeschenk.  De dag zelf ontdekte ik trouwens dat hij zich een tablet PC had gekocht in de aldi t.b.v. €399,99. Gelukkig had ik geen ander geschenk voorzien.  We hebben een gezamenlijke portemonnee, lekker ouderwets, dus cadeaus zijn bij ons eigenlijk geen echte cadeaus en als één van ons iets leuk vindt, wordt dat gewoon zonder overleg gekocht, tenzij het om echt grote bedragen gaat. Oei, nu ben ik wat te veel over de interne keuken aan het uitweiden, laat mij spoedig overgaan naar de externe keuken.

Afijn, we parkeerden ons eivormig gezinswagentje netjes tussen enkele statussymbolen op wielen, zochten niet zonder moeite de ingang en traden binnen in een huiselijke sfeer. Spoedig werden we naar de veranda geleid.  Liever had ik aan het gezellige haardvuur in het restaurant gezeten, maar dit leek wat te hoog gegrepen. “Had je die bewegende schilderij  in de open keuken gezien?” vroeg mijn man. Eerst begreep ik  niet wat hij bedoelde, later ontdekte ik dat het  een personeelslid betrof die meer huidschilderingen over zijn gezicht en armen had uitgesmeerd dan jullie en ik samen.

Geïmponeerd gaapten wij naar de rijen bestek voor onze neus en bestelden de aperitief van het huis, een schuimwijn met een gember- en nootmuskaattoets. Lekker, je moet er maar opkomen.  We hadden de zesgangenverrassingsmenu gekozen. De avond zou dus heel wat verrassingen in petto hebben.  Mag ook wel, want ik vreesde dat we anders niet veel nieuws te vertellen hadden.  Ja, dat heb je, als je al jaren onder hetzelfde dak woont.  Mijn vrees bleek echter ongegrond. Het leek bijna op een date, maar dan met een vertrouwd persoon.  Heel aangenaam, heel romantisch, met veel aandacht voor elkaar en nog meer voor het lekkere eten uiteraard.

We kregen vanalles verrukkelijks voorgeschoteld, een crumbeltje van dit, een mousseje van dat, een zalfje van hier een een torentje van daar.  Mijn man was verbaasd dat ik geen notaboekje bijhad om alles in te noteren voor een speekselverwekkend verslagje achteraf.  Galant bood hij aan om alles te onthouden en ik vergat wijselijk dat zijn geheugen zo lek is als een zeef.

Ik bereikte enkele culinaire hoogtepunten, alhoewel ik beleefd naliet om een écht sally’te te doen, kwestie van de andere gasten niet te storen. Zij stoorden ons immers ook niet in onze romantische tête-à-tête.  Tot dat ogenblik toch nog niet. Of misschien hadden we er tot dan gewoon geen aandacht voor gehad. Zo rond half tien, vlak voor het opdienen van het hoofdgerecht, kreeg ik een dipje en plots hoorde ik slechts één iemand babbelen en het was niet mijn tafelgenoot.

Het was Geert, een kalende midden-veertiger zoals dertien in een dozijn, iemand die ik van haar noch pluim ken, maar die vanaf nu in mijn geheugen geklasseerd staat bij de nare  herinneringen.  In eerste instantie leek hij best sympathiek.  Hij had een vlotte babbel en kon boeiend vertellen.  Hij sprak ietsjes te luid, alsof hij een ruimer toehoorderspubliek zocht dan de vrouw (niet de zijne, want Geert was als eerste van zijn gezelschap gearriveerd en had haar een beetje onwennig begroet, dat had ik tussen de soep en de patatten opgemerkt) en het koppel dat met hem de tafel deelde.

Ongewild begon ik zijn monologen te volgen en mijn man ook. Eerst gaven we onderling nog wat commentaar, maar gaandeweg werden we volledig opgeslorpt door onze zittende stand-up comedian. Ik kan niet ontkennen dat Geert vermakelijk kon vertellen, maar ik begon mij meer en meer te ergeren aan de zelfverheerlijking waaraan hij zich overmatig bezondigde.  Nadat we het delicieuze dessert verorberd hadden, wat bijna weer een sally’tje opleverde, smeekte ik mijn man om geen koffie meer te bestellen, mocht de gastvrouw dit voorstellen. Ik kon die Geert immers niet meer luchten. Mijn man, daarentegen, had enkel nog oor voor hem en oor noch oog voor mij. Dus toen mijn koffieverslaafde wederhelft slaafs ‘ja’ antwoordde op het moment dat de gastvrouw wou weten of we een kopje à la George Clooney lustten, kon ik hem wel achter het designbehang plakken of een ferme schop onder tafel verkopen. Dit laatste is trouwens niet aan te bevelen als er een dwarsbalk onder de tafel schuilt.

Uiteindelijk dienden we buiten de royale cadeaubon nog een fikse som bij te betalen. Volgens artsen zonder grenzen hadden we  zes zwaar ondervoede kindjes gedurende dertig dagen kunnen laten behandelen, als we ons deze braspartij ontzegd hadden. Ik probeerde er niet aan te denken.  Vijf uur later verlieten we moe maar voldaan de zaak.  Helaas was de romantiek serieus in de kiem gesmoord door het intermezzo van sterlager-zager-jager Geert. Wat ik hieruit concludeer? Routine doorbreken en romantiek hervinden na ruim 15 jaar samenwoonst is niet zo moeilijk, maar de romantiek erin houden des te meer.

Alhoewel?  Die avond bereikte ik gewoontegetrouw en sally-gewijs alsnog 15 seconden van intens geluk.  Wat moet een mens nog meer hebben na een copieuze maaltijd?

Advertenties

joepie?

18 Mei

Terwijl mijn man nu en dan kakelende kippen wegschiet met een katapult, beweeg ik me elders in de virtuele wereld, nl. de wereld van het bloggen.  Ik ontdekte het fenomeen via een collega-vriendin die haar lange, voornamelijk administratieve reis om een uitheems bloempje inheems te maken, beschreef.  Ik vond het biezonder indrukwekkend, zo’n eigen website en het heeft jaren geduurd vooraleer deze semi-computeranalfabeet, het aandurfde om er zelf eentje aan te maken.

Eerst startte ik met een ludieke sportblog, waarop ik heel wat kritiek kreeg van mijn naaste familie.  Ze vonden dat ik mijn privacy te veel te grabbel gooide.  Dus deed ik er een schepje bovenop en gooide mijn privacy nog meer te grabbel in deze – min of meer – anonieme blog.  Omdat ik slecht tegen kritiek kan (valt wel mee, ik kan vooral slecht tegen zagen, denk ik) lichtte ik hen uiteraard niet in over deze tweede geboorte.  Mijn man, die evenmin fan is van het bloggebeuren, werd wel op de hoogte gebracht.  Kan niet anders, het maakt te veel deel uit van ons gezinsleven.  Hij leest echter liever geschiedkundige of wetenschappelijke boeken en beweert mijn schrijfsels niet te volgen.  Misschien schrijf ik wel eens een (fictief, provocerend) logje om dit te toetsen. Men zwijge dit stil.

Slechts weinig mensen die ik in real life ken weten van het bestaan van deze blog.  Dat geeft niet.  Het is tof om op deze manier nieuwe mensen te leren kennen.  Mensen die minstens één ding met mij gemeen hebben, namelijk de liefde voor het schrijven, want de meeste reageerders zijn bloggenoten.  Virtueel ontmoet je mensen met wie je in real life misschien niet zou optrekken en dat maakt het net zo boeiend.  Het prikkelt echter ook mijn nieuwsgierigheid. Hoe heten ze in het echt, hoe oud zijn ze, hoe zien ze eruit, zou ik er in het echte leven ook mee kunnen opschieten…

Sommigen, van wie ik het gevoel heb dat het écht klikt met hen, wil ik, nieuwsgierig als ik ben, eigenlijk wel in het écht  leren kennen. Alhoewel?  Toen de suggestie van een blogmeeting verscheen, sloeg de schrik me toch een beetje om het hart. Dàt besefte ik echter pas bij de reactie op mijn blijkbaar aarzelende reactie die in eerste instantie nochtans niet zo twijfelend bedoeld was.

Beste lezer, wellicht kan je niet meer volgen nu, daarom verwijs ik even naar onderstaande conversatie op Zapnimfs blog.

  1. pharailde Zegt:
    zondag, 29 april 2012 om 9:15 pmOh, wij willen dolgraag die bril op Moose zijn neus zien staan (en ja, het wordt hoogdringend tijd om nog eens te mailen om af te spreken)

Bij het doorpluizen van Zapnimfs archief (ik heb haar nog niet zo lang geleden ontdekt en werd vanaf de eerste letter die ik las een hondstrouwe fan, wat een schrijftalent!, wat een humor!, hoe verrassend telkens weer! Telkens ik haar blog lees, moet ik mijn jaloezie zien te onderdrukken, bestaan daar eigenlijk pillekes voor?), ontdekte ik dat zij regelmatig blogmeetings organiseert met een talrijke opkomst tot gevolg.  Met mijn vragende joepie vroeg ik me eigenlijk af of dat tentje groot genoeg zou zijn om ook nieuwkomers te verwelkomen.

Haar reactie was uitermate gastvrij – heel leuk -, maar pas bij het lezen hiervan sloeg de aarzeling genadeloos toe.

Beste bloglezer, ik heb al ooit laten verstaan dat ik geen groepsmens ben.  Niet zo evident dus om te belanden in een groep van pakweg veertig lijfelijk onbekenden.  Hoe meer ik erover ga nadenken, hoe onzekerder ik word.

Ten eerste: hoe geraak ik heelhuids  daar.  Als het zonder partner is, nooit vanzeleven.  Ik heb wel een GPS, maar ben als chauffeur een beetje (een beetje heel veel eigenlijk) autostradeschuw.  Eén keertje heb ik mij in Oostenrijk achter het stuur op de autosnelweg gewaagd en mijn kinderen hoorden hun moeder krijsen als een haperende LP-plaat: ik ben bang, ik ben bang, ik ben bang…  Na ongeveer honderd herhalingen bereikte ik gelukkig de volgende afrit.

Ten tweede: instappen in een onbekende groep. Gruwel, gruwel.  Worden er kusjes uitgedeeld?  Nog meer gruwel gruwel. Ik hoop van harte van niet.  Ik denk dat ik een T-shirt ga laten drukken met het opschrift: “hallo, ik ben Joke en ik haat zoenen.  Desalniettemin aangename kennismaking.”

Ik ben er wel gerust in dat de gastvrouw mij enorm gaat geruststellen – ze is er immers het type voor, zoveel mensenkennis heb ik wel – maar ik kan uiteraard niet van haar verwachten dat ze constant standby kan staan.  Dus zoek ik zo snel mogelijk het gezelschap op van Eilish.  Ik heb haar nog nooit in levende lijve ontmoet, maar ben er zeker van dat het wel zal klikken.

Ten derde: wat moet ik meenemen? Dit zou in principe geen probleem mogen zijn, als het eraan toegaat zoals de vorige keren : er wordt niet veel verwacht, enkel iets om te eten meesleuren, de nodige vloeistoffen worden ter plaatse voorzien. En dat vind ik dus moeilijk, want dan wil ik uitblinken in originaliteit, om indruk te maken op de gastvrouw die onovertrefbaar schittert in creativiteit.  Op voorhand een verloren strijd dus.  Daarom betaal ik liever, bijvoorbeeld €25,00 , all inclusive.  Dan weet ik dat de gastvrouw er niet haar broek aan scheurt (tenzij de piramidetent wordt meeverrekend in de kosten) en voel ik mij niet schuldig voor ‘ten vierde’.

Ten vierde: moet ik nu voorstellen om de volgende blogmeeting bij mij thuis te houden?  Hèèèèèèèèèèèlp. Ook al gaan de gasten waarschijnlijk niet in mijn kasten snuffelen zoals bij ‘Komen Eten’, toch zou ik een maand op voorhand beginnen te stressen omdat ik mij verplicht voel om mijn huis op te ruimen. En ik heb daar zo een broertje dood aan.

Ten vijfde : WAT ALS DE REALITEIT TEGENVALT?

Maar, beste bloglezer, nadat ik het even liet bezinken, leek het eensklaps niet zo bedreigend meer.

Ten eerste: als mijn partner niet meemag, laat ik hem mij eerst tot daar brengen en smokkel ik hem vervolgens binnen via mijn sporttas.  Hij is zo tenger dat hij er gemakkelijk in past.

Ten tweede: ik heb nog nooit een koortsblaas gehad, maar tegen dan vermoedelijk een héél onappetijtelijke. (Desnoods zoek ik voorafgaandelijk een goede toneelgrimeur)  Niemand zal de behoefte voelen om me te zoenen.

Ik vraag Eilish op voorhand om een plekje vrij te houden voor mij.  Als we ons toch niet zo goed verstaan als ik verwacht had (wat mij hoogst onwaarschijnlijk lijkt), praat ik dialect tegen haar en verzoek haar om hetzelfde te doen, zodat er een grondige reden is waarom we elkaar niet verstaan.

Ten derde: ik overhandig mijn sporttas, laat de  inhoud kijken en stel tot mijn (gespeelde) verbazing vast dat er geen geïnteresseerde kannibalen zijn.  Achteraf laat ik stiekem €50,00 (ah ja, want mijn partner is er ook bij en zo fair ben ik wel) slingeren in de koffiepot.  Niemand zal mij verdenken, want zelf drink ik geen koffie én mijn geweten is gesust.  Ik moet echter onthouden dat ik het geld niet in het busje recórdpeper mag verstoppen. Tegen dat het dan ontdekt wordt, is de Euro geen geldig betaalmiddel meer.

Ten vierde : misschien toch toezeggen, dan vind ik eindelijk eens de motivatie om mijn kooi eens deftig op te ruimen.  Ik ben echter niet van plan om een piramidetent te kopen.

Ten vijfde : als het een grandioos fiasco wordt, start ik een nieuwe blog, met de onopvallende titel : ” lees me niet “, bijgevolg begin ik een nieuw virtueel leven met nieuwe virtuele vrienden die deze keer gegarandeerd virtueel zullen blijven.

Kortom, ik zie het helemaal zitten.  Een blogmeeting? JOEPIIIIIIIEEEEEEEEE!!!!!

wie A verzwijgt, moet B durven zeggen

8 Mei

Als boerendochter was ik er als kind trots op dat ik goed kon leren.  Op de lagere school was de dochter van de dokter de eerste van de klas, dan volgde de dochter van de schoolmeester en brons was voor de dochter van de boer, net voor de dochter van de apotheker.  Als ik het zo opschrijf, vind ik het idioot klinken, maar, beste lezer, vergeet niet dat ik als kind belachelijk veel belang hechtte aan afkomst. Toen ik in het middelbaar op de Latijnse tussen de ‘sterke’ leerlingen belandde, bleek ik een goede middelmaat te zijn.  Ooit denk ik wel eens dat ik een universitair diploma had kunnen halen als ik in een studiestimulerender milieu was opgegroeid.  Anderzijds kan dat juist ook averechts werken. Feit is dat ik het nooit te weten zal komen.  En feit is dat ik mijn job graag doe, en dat ik toch eerder een doe-denker ben dan een denk-denker, als je begrijpt wat ik bedoel.  En anders pech, want ik heb geen zin om het hier uit te leggen.

Nochtans leg ik het over het algemeen wel graag uit.  Dat is altijd zo geweest.  Als kind speelde ik heel graag juffrouwke in plaats van boerinneke. Tònnen krijt heb ik opgeschreven.  Een logisch gevolg hiervan was dat ik voor een job in het onderwijs zou kiezen.  In eerste instantie heb ik dat ook gedaan. Welke studiekeuze hiermee  gepaard ging, houd ik graag nog even voor mezelf.  Wellicht levert het in de toekomst nog wel eens een boeiend logje heb. Als de lezer eraan toe is. Ik heb immers al genoeg mensen bijna van hun stoel doen vallen met de simpele mededeling dat ik een boerendochter ben…

Als je zelf kinderen op de wereld zet, beste bloglezer, schept dat automatisch verwachtingen, ook al wil je dat niet. Je wil geen ouder worden die de frustraties van de niet-verwezelijking van een droom projecteert op zijn kinderen en hen daardoor ongelukkig maakt. Je wil vooral dat ze gelukkig zijn.  Maar toch… Het zou toch leuk zijn als ze een diploma  halen evenwaardig aan het jouwe.  Ze hoeven geen universitair diploma te halen (het mag wel, maar het moet niet), maar je wil ook niet dat ze achteruit boeren.  En terzelfdertijd besef je – want dat heeft het leven je bijgebracht – dat geluk slechts gedeeltelijk bepaald wordt door je opleiding en de job die je uitoefent. Trouwens, wat heb je aan een schitterende carrière als het je privé absoluut niet voor de wind gaat?

Vanaf het eerste studiejaar was het duidelijk dat onze jongste, het moeilijk zou krijgen.  Problemen met lezen, geen rekenwonder en vooral weinig zin om naar school te gaan. Vlot leren lezen of rekenen is een kwestie van oefenen, beweerden de leerkrachten. En ik geef toe, als ouders hebben wij daar niet zo heel veel energie in gestoken. Na een lange werkdag zijn er wel leukere dingen om te doen dan een kind na een evenlange schooldag lastigvallen met extra lees-en rekenoefeningetjes. Zeker als de motivatie bij de leerling in kwestie ver te zoeken is. In de loop der jaren zakte onze dochter rapportsgewijs af van een zwakke middelmaat naar het staartje van de klas.

Het heeft lang geduurd vooraleer ik ten volle besefte dat de ogenschijnlijke gemakzucht of slinksheid van onze dochter, die regelmatig haar huiswerk ‘vergat’ of haar toetsen zelf tekende, wel eens een dieperliggende reden zou kunnen hebben. Aanvankelijk leek het vooral een kwestie van niet willen, maar stilaan kwam ik erachter dat het misschien (al ben ik niet heel zeker) eerder een kwestie was van niet kunnen. ’t Is eigen aan de mens dat hij vooral graag doet wat hij goed kan en dat hij niet graag doet wat hij niet goed kan.

Eenmaal tot dit inzicht gekomen begon de sensibilisering.  Eerst hier in huis. Want manlief vond dat ze het op z’n minst moet proberen. En ik vond van niet.  Ik houd niet van het watervalsysteem in het onderwijs, zeker niet voor een kind dat niet blaakt van zelfvertrouwen als het op leren aangaat.  Toen ik thuis voor de B-richting (huidig jargon voor beroepsonderwijs) pleitte, stuitte ik op vooroordelen.  Ik begrijp het.  Voor ik zelf zo ver was, heb ik  mijn eigen  vooroordelen (‘de B’ is voor de lomperiken) moeten overwinnen en moeten aanvaarden dat de A-stroom niet is weggelegd voor onze jongste.  Gelukkig heeft ook haar vader zich hiermee verzoend. Sinds we het met dochterlief besproken hebben, lijkt er een pak van haar hart gevallen te zijn.  Ik ben ervan overtuigd dat ze volgend jaar met meer plezier naar school zal gaan.

Als je echter met andere ouders, die ook een laatsjejaarslagereschoolkind hebben, over het secundair onderwijs praat, blijkt doorstromen naar een A-richting een onuitgesproken vanzelfsprekendheid te zijn (toegegeven, voor de meesten is dat ook zo). Dat zie je aan de reacties, als je uitspreekt dat jouw kind naar de B zal gaan. Dat zie je aan hun verbazing én de opluchting in hun ogen bij het besef dat het niet over hun kind gaat (of is dit laatste maar een gedacht?). Dan merk je dat je te maken hebt met een taboe dat er geen hoeft te zijn.  Buiten ons lijkt er immers niemand anders de B durven uit te spreken (ook al weet ik zeker dat ze volgend jaar niet alleen in een klas zal zitten).  Zelfs in onze nabije kennissenkring niet. Ze praten honderduit over hun kind, maar dat het is moeten afzakken van de A naar de B moet je via via vernemen alsof het iets is waarvoor je je moet schamen.  Beschamend vind ik dat.

Zo, beste lezer.  Zonder schroom heb ik de B wereldwijd uitgesproken.  Ik hoop dat ik ouders, die te veel verwachten van hun kinderen, een beetje heb kunnen sensibiliseren.  Of misschien is er een ander onzinnig taboe dat jij graag wil doorbreken.  Met plezier bied ik je mijn blog aan, maar uiteraard kom ik ook graag lezen op de jouwe.  Ga je gang!