Archief | april, 2012

stront, wie heeft je gescheten?!

29 Apr

Ongeveer veertig jaar lang verkeerde ik in de waan dat bovenstaande uitdrukking ontsproten was aan het creatieve brein van mijn moeder.  Pas bij het schrijven van dit stukje, met een klein vooronderzoek op google, kom ik erachter dat het een bestaande uitdrukking is. Shit, toch een beetje jammer.

Beste bloglezer, als kind was ik beschaamd over het feit dat ik beschaamd was voor iets.  Rationeel wist ik echter heel goed dat het niet nodig was om er beschaamd over te zijn, doch mijn gevoel dacht er anders over. Op jonge leeftijd overwon het gevoel de ratio.  Later werd dat vaak omgekeerd.  In sommige gevallen valt dat misschien te betreuren maar niet in dit geval.

Wat was ik als kind graag het kind van ‘gewone’ ouders geweest en niet van boeren, in de letterlijke betekenis van het woord. Ik ging er niet zodanig onder gebukt dat ik erover zou liegen, maar ik vond het wel een zwaar kruis om te dragen.  Zelf associeerde ik boeren met vies, dom en arm.  Of neen, zelf deed ik dat slechts gedeeltelijk, ik was er vooral van overtuigd dat andere mensen deze mening waren toegedaan.  Het heeft tot ongeveer mijn twintigste geduurd vooraleer ik erachter kwam dat ik het bij het verkeerde eind had.

Om te beginnen  heb ik als kind nooit gehouden van de ‘gezonde’ geur van het boerenleven.   Alsof het gisteren was, herinner ik me een voorval uit mijn middelbare schooltijd.  Mijn vader kwam me op school halen na een mondeling examen.  Een klasgenootje, dat geen vervoer had, vroeg of ze mee mocht. Dat was geen probleem.  Maar wat was ik toch beschaamd!  Mijn vader had zijn werkactiviteit even moeten onderbreken om me op te pikken en vond het uiteraard niet nodig om zich voor een klein half uurtje om te kleden.  Hij was niet vuil, maar die geur…  Als boerendochter ben ik daar nooit gewoon aan geraakt!  Ik was beschaamd om wat mijn klasgenootje zou kunnen denken.  Ik herinner me dat ik daar achteraf een voorzichtige opmerking over heb gemaakt, waarbij mijn vader droogweg repliceerde dat het klasgenootje blij mocht zijn dat ze een lift kreeg. In se had ie natuurlijk groot gelijk!  Het klasgenootje in kwestie heeft er niets over gezegd, zelfs niet laten merken, maar gewoon het idee wat zij zou mogelijks zou kunnen denken vond ik al verschrikkelijk.

Mijn ouders, die eigenlijk twee generaties van mij verschillen – ze waren ruim 36 toen ze me per ongeluk verwekten –  zijn beiden van boerenafkomst.  Geen van beiden heeft de kans gehad om verder te studeren.  Mijn vader niet, omdat hij verondersteld werd het melkveebedrijf over te nemen wat hij ook deed en zich niet betreurd heeft.  Mijn moeder niet, omdat zij enige dochter was tussen vijf broers en als tweede oudste – voor die tijd als vanzelfsprekend – diende ingeschakeld te worden in het huishouden.  Zelf vond ik mijn ouders niet dom, maar ik was zelf zo dom om te denken dat andere mensen dit hoogstwaarschijnlijk dachten omdat ze A slechts tot 14 jaar naar school geweest waren, maar vooral omwille van B, omdat ze boeren waren, wat mijlenver verwijderd leek van enige intellectuele activiteit.  Achteraf heb ik beseft dat geen enkel verstand te verkiezen is boven het gezonde boerenverstand!

Zo ben ik er biezonder trots op dat mijn ouders hun kinderen (2 zonen en 2 dochters) hebben laten studeren wat ze zelf wilden.  Misschien stonden ze niet altijd achter die studiekeuze, maar ze lieten het wel toe.  Na zijn middelbaar heeft mijn oudste broer kunstonderwijs gedaan.  Kunstonderwijs alsjeblieft! Mijn ouders hebben nochtans totaal geen interesse in kunst. Voor hen is de hoogste vorm van  kunst – bij wijze van spreken – een koe in een wei.  En hoewel ze er geen voeling mee hadden, mocht mijn broer dat toch doen.  Hetzelfde gold voor mijn zus.  Zij heeft psychologie gestudeerd aan de universiteit van Leuven.  Mijn ouders zagen op zich niet echt het nut in van dergelijke studie en vonden het niet zo een goede keuze voor haar, maar ze heeft het wel mogen doen. Achteraf gezien hadden ze eigenlijk wel gelijk wat de keuze betreft, want alhoewel mijn zus haar diploma gehaald heeft, heeft ze het beroep nooit willen uitoefenen.  Mijn jongste broer wou na drie probleemloze jaren op het college  per se naar de vakschool.  En hij mocht!  Hij heeft het zich nooit betreurd.  En ook ook hun jongste, ikzelf dus, heeft alle kansen gekregen.  Nooit hebben zij van één van hun kinderen verwacht  dat ze voor opvolging zouden zorgen.  Dit in tegenstelling tot de plaatselijke apotheker, die zijn drie kinderen bovenmatig stimuleerde om in zijn voetsporen te treden. De jongste was liever veearts geworden, maar is uiteindelijk op vaders verzoek ook pillendokter geworden. Neen, dan geef mij maar het gezonde boerenverstand van mijn ouders!

De keerzijde was dat zij nogal weinig betrokken waren bij onze studies.  Geen van ons vier had problemen op school, dus werd er gewoonweg nooit, of slechts een zeldzame keer, naar de oudercontacten gegaan.  Als kind heb ik dat altijd heel erg gevonden.  Nu begrijp ik dat beter.  Mijn ouders waren eigenlijk ook een beetje te bescheiden om te horen hoe goed hun kinderen het op school deden.  Ze hadden gerust wat vaker over hun kinderen mogen stoefen, vind ik. Dat is bevorderlijk voor het zelfvertrouwen, wat me als kind nogal ontbrak. Je kinderen echter constant de hemel inprijzen, zoals sommige ouders dat kunnen, vind ik even verkeerd. Dat leidt tot hoogmoed. Wilden mijn ouders me daarvoor behoeden?

Van mensen die naast hun schoen lopen, moesten ze immers niet weten.  Vandaar dat moeder regelmatig de uitdrukking van de titel aanhaalde. Ook bievoorbeeld als ik me, als tiener, lichtjes opmaakte om uit te gaan.  Het werd me niet verboden, maar het paste gewoonweg niet bij de eenvoud die haar eigen was.  Inmiddels maak ik me nog zelden op.  Ik stel ook vast dat ik meer en meer op mijn moeder begin te lijken en dan bedoel ik niet louter fysiek.

Als kind heb ik een sober leven geleid.  We kwamen niets tekort, zeer zeker niet.  Maar mijn ouders waren nogal praktisch ingesteld en zuinig, héél zuinig.  Twee keer per jaar gingen we naar een grote (goedkope) klerenwinkel. Als we er onze goesting niet vonden, moesten we onze goesting maar aanpassen.  Voor schoenen gingen we naar een schoenmaker in het dorp, die tevens een schoenwinkel had en enkel kwaliteitsschoenen verkocht.  Shoppen om te shoppen heb ik als kind nooit gedaan.  Als tiener mocht dat gelukkig wel, samen met vriendinnen.  Mijn moeder was vooral blij dat ze niet mee hoefde.

Wij kregen dagelijks een degelijke traditionele maaltijd voorgeschoteld en als we heelder dagen thuis waren kregen we vaak ook ’s avonds iets warms te eten, zoals spaghetti.  We aten onze soep – soepvrije dagen bestonden gewoonweg niet – uit een diep bord en de rest ook. En hoewel ik zelf een afwasmachine heb, moet ik toegeven dat ik deze gewoonte heb overgenomen.  Enkel als ik gasten ontvang of als er teveel soepresten zijn, worden er twee borden gebruikt. Daarnaast vind ik het een idioot zicht als ik mensen cake zie eten met mes en vork, of – wat op vakantie wel eens voorvalt – fruit (geen fruitsalade, maar de volledige vruchten), dat is zelfs te zot voor woorden.  Wij aten dat gewoon met de handen.  Ik beken, alles wat er zich voor leent, eet ik nog steeds graag met de handen.

Als kind deden wij nooit uitstapjes met het gezin, zoals naar een speeltuin bievoorbeeld.  Wel gingen we regelmatig op familiebezoek. We stapten met zes in een kleine Lada, een beige met rode neplederen zetels, dus vier kinders op de achterbank.  Eén tante woonde wat verder.  Om tot bij haar te geraken passeerden we de gemeente Peer.  In het centrum staat een beeld van de gelijknamige fruitsoort.  Als kind heb ik dat beeld nooit gezien.  Bij het passeren hielden mijn schattige broertjes immers systematisch hun handen voor mijn ogen met jammerlijk gelamenteer van mijnentwege als wederkerend vervolg. Pas toen ik afgestudeerd was en één van mijn eerste werkervaringen zich in Peer afspeelde, kreeg ik het fameuze beeldje eindelijk te zien.

Vroeger gingen we nooit naar een frituur, stil zwijgen op restaurant, en als mijn ouders zelf eens weg moesten, naar een trouwfeest of zo, stond er een degelijke maaltijd voor ons klaar.  Ik ben altijd jaloers geweest op kinderen die wel eens frietjes gingen halen.  Mijn ouders vonden dat een overbodig luxe.  Elk jaar oogstten ze zelf voldoende patatten, dus waarom zou je er dan geld aan uitgeven op een ander? Vreemd, hoe je als kind het zorgzame van je moeder niet als dusdanig erkent.  Verstand komt met de jaren, zegt men.  Inderdaad! Intussen hebben mijn ouders geleerd om toch wat te genieten van zuurverdiende centjes.  Ze zullen al eens ergens een koffie gaan drinken en daar ben ik blij om.  Het koekje en het suikertje verdwijnt uiteraard in de sacoche en toegegeven, daar durf ik mezelf ook wel eens aan bezondigen.  Het zuinige is me met de paplepel ingegoten, alhoewel ik in de ogen van mijn ouders heel royaal leef.  We maken regelmatige uitstapjes, gaan al eens een frietje eten (ook al krijg ik mijn patatten gratis van hen), gaan jaarlijks op vakantie en besteden ook nogal wat – in hun ogen buitensporig veel – geld aan de afwerking van ons huis. Dat één (van de drie) ingebouwd sfeerlampjes in onze woonkamer  meer kost dan de functionele verlichting in hun hele living, terwijl het dertig keren minder licht geeft, krijg je aan iemand met gezond boerenverstand niet uitgelegd.

Inmiddels ben ik er achter dat er een wezenlijk verschil is tussen arm zijn en zuinig zijn. Mijn ouders hadden een middelgroot bedrijf. Ze hebben verstandig geboerd door het niet te groots te willen aanpakken en bovendien hebben ze de gouden jaren gekend. Ondanks alles blijven ze zuinig leven, toch vooral wat henzelf betreft, want naar ons toe zijn ze eigenlijk best wel royaal, ook al heeft niemand van hun kinderen hun geld nodig en wordt het bijgevolg uitgegeven aan luxeartikelen die zij zichzelf ontzeggen.  ‘Ontzeggen’ is eigenlijk geen juist woordgebruik in deze context, want luxe interesseert hen gewoonweg niet.

Ach, in de loop der jaren heb ik mijn ouders echt wel naar waarde weten te schatten en zo hoort dat uiteraard ook. Meer nog, ik ben trots op het feit dat ik een boerendochter ben alsook op de waarden die ik meekreeg.  Ik heb nooit veel interesse getoond in de boerderij, maar ben wel blij dat ik er opgegroeid ben, omdat ik er ook wel veel leuke herinneringen aan overhoud.  Zo mochten we met een stevige touw, die bevestigd was aan een balk in de schuur, slingeren van de ene stapel hooi naar de andere.  Mijn moeder maakte geen heisa als ik onze  hond in bed onder de lakens aan mijn blote voeten liet rusten.  (Desondanks ontwikkelde ik een  hondenallergie).  Omdat mijn grootmoeder inwoonde en we een grote familie hadden, kwam er altijd veel volk over de vloer en daar heb ik als kind enorm van genoten.  Ook al heb ik het als kind niet altijd zo ervaren, nu besef ik dat ik uit een warme nest kom.

Ik vind het vooral frappant hoe je visie op het leven verandert als je ouder wordt.  Hoe je zaken, waaraan je je vroeger ergerde, uiteindelijk gaat waarderen of toch tenminste aanvaarden. Het leven van mijn ouders heeft zich altijd afgespeeld rond de boerderij en de kerktoren.  Verder reikt(e) het niet. Er is een periode geweest dat deze bekrompenheid me stoorde en ik zelf te bekrompen was om het te begrijpen. Gelukkig erfde ik een gezonde dosis boerenverstand en nu ben ik blij dat ik nog steeds hun strontje mag zijn.  Maar uiteraard wel een a-typisch exemplaar, namelijk eentje dat – meestal toch – fris riekt!

Advertenties

wat een moeder lijden kan

13 Apr

Beste bloglezer

Ik heb enkele bewogen weken achter de rug. Naast mijn gebrek aan tijd is dit de hoofdreden waarom het hier zo stil bleef.  Het begon op 5 maart, toen ik bij aankomst op het werk direct aanvoelde dat mijn gebruikelijke goedgeluimde goedemorgen best op een minder vrolijk toontje dan normaal werd gebracht, wat ik instinctief ook deed.  Mijn collega’s stonden mij in begrafenisstemming op te wachten, helaas in de letterlijke betekenis van het woord.  Ik bleek immers de enige te zijn die men daags voordien niet had kunnen bereiken om het onverwachtse overlijden van een dierbare collega te melden.  Zijn vrouw werkt ook bij ons,  waardoor het mij dubbel raakte.  Die week heb ik op het werk rondgelopen als een kip zonder kop.  Het nieuws van dit spijtige tramaccident was nog maar nauwelijks verteerd toen het busongeval in Zwitserland gebeurde.  Alhoewel ik er niemand persoonlijk van kende, kwam dit eveneens aan als een mokerslag.  Enerzijds omdat ik nog in de rouw zat voor mijn  collega en anderzijds omdat onze oudste dochter nog op skireis moest vertrekken en ik me bijgevolg onvermijdelijk met de getroffen ouders identificeerde.  Ik ben nochtans nuchter genoeg om te beseffen dat de kans dat dergelijke feiten zich opnieuw zo snel zouden voordoen wel heel erg klein is, maar toch…

Een half jaar voordien hadden mijn man en ik ons etiketjeskind overtuigd om mee te gaan skiën.  Als liefhebber van bergen en sneeuw zou haar dit zeker bevallen en we zouden het zonde vinden mocht ze deze unieke kans niet grijpen.  Zelf was ze vooral bang dat ze net die week ongesteld zou worden, maar dat was een argument waarmee ik geen rekening wilde houden.  Ten eerste omdat  dit slechts één kans is op vier en ten tweede omdat dit geen bezwaar mocht zijn. Oké, een dik maandverband in je broek is geen pretje, maar bij mijn weten is er nog nooit iemand van doodgegaan. Als voorbereiding op  de grote reis kreeg ze enkele skilessen op een kunstmatige piste en zo kwam ze tot de onaangename vaststelling dat ze een hekel had aan de skisport.

Naarmate de vertrekdatum naderde werd ze steeds bozer en bozer op mij, want ze vond dat ik haar te veel gepusht had om mee te gaan. Ze had een hekel aan skiën, ze zou vast en zeker ongesteld worden… en dat allemaal deed ik haar aan.

De zaken waarover ik me zorgen maakte, deerden haar blijkbaar niet.  Dat was maar goed ook, en toch zat ik ermee in.  De leerlingen mochten zelf kiezen langs wie ze op de bus zouden zitten, en met wie ze een kamer zouden delen.  En net daar maakte ik me stiekem druk over, want onze dertienjarige wist niet wat ze hiermee moest aanvangen.  Omdat ze er zelf niet zo een probleem van maakte, deed ik ook maar alsof dat niet zo belangrijk was, maar inwendig vrat ik me op.  Ze had haar naam genoteerd bij twee meisjes, waarmee ze bevriend was geweest, voor zover je, in haar geval, van vriendschap kan spreken. De vriendschap was echter serieus bekoeld, vooral met één van de twee.  Wat me zorgen baarde, was het feit dat de meisjes totaal geen reactie hadden gegeven toen ze vernamen dat mijn dochter bij hen op de kamer zou logeren.  Dat ze niet zouden overlopen van enthousiasme had ik al een beetje verwacht, maar dit stilzwijgen vond ik enorm veelzeggend en deed mijn moederhart bloeden.  Blijkbaar had mijn dochter niets in de gaten, dus probeerde ik het ook te relativeren en liet ik er zeker niets van merken naar haar toe.  Toch kon ik het moeilijk loslaten.  Als ik mijn bekommernis met mijn man besprak, wuifde hij mijn zorgen – ‘Hebben we er wel goed aan gedaan om haar te laten meegaan’ -luchthartig weg.  Enerzijds was zijn mannelijke benadering – ‘Het zal wel loslopen, ze moet nu eenmaal met zulke situaties leren omgaan’ – een geruststelling, maar anderzijds voelde ik me er ook wel een beetje mee in de kou staan, ook al besefte ik heel goed dat hij objectief gezien gelijk had.

Twee weken voor de vertrekdatum werd onze dochter ongesteld, dus dat probleem was gelukkig al van de baan.  Tijdens de laatste schoolweek vernam ze dat ze andere kamergenootjes zou krijgen en dat pas ter plaatse zou beslist worden bij wie ze zou logeren.  Dit frustreerde haar enorm en bijgevolg mij ook.  Te meer omdat we van de gonbegeleidster op school de opdracht kregen om bepaalde zaken een week op voorhand aan te kondigen.  Iets wat wij in het verleden zelden deden en wat ook nooit problemen opgeleverd had. Zo blijft schoenen kopen een ramp of je dat nu een week op voorhand aankondigt of de dag zelf pas. Mijn dochter vond het echter wel erg dat ze niet wist bij wie ze zou logeren en ik vond het jammer dat er vanuit de school hieraan geen aandacht werd geschonken. Ik ben echter niet het type ouder dat rap de telefoon zal nemen om mijn ongenoegen over het een of ’t ander te uiten. Nu stond ik bijna op het punt om het te doen, maar omdat het niet in mijn natuur ligt, liet ik het er toch maar bij.

Ik probeerde haar zoveel mogelijk gerust te stellen en haar zeker niets van  mijn eigen onzekerheden over de reis te laten voelen.  Op 30 maart stapte ze samen met een honderdtal leerlingen op één van de drie bussen.  Ze zat twee rijen achter de chauffeur en ik probeerde niet te denken aan de recente busramp.  Voor één keer had ik, onder lichte dwang, een dikke knuffel van haar gekregen voor haar vertrek en ze zwaaide enthousiast vanuit haar plaatsje aan het raam.  Ze zag er happy uit, ondanks de weerstand die ze tot op de laatste minuut voor ons vertrek thuis had getoond.  De jolige uitgelatenheid van haar reisgenootjes werkte blijkbaar aanstekelijk.  Ze zwaaide veel uitbundiger dan we van haar gewoon zijn, slechts even zagen we haar gezichtje ongemakkelijk verkleuren toen ze zich realiseerde dat ze een sprong moest nemen in het duister, maar ze herpakte zich vlug.  Ze verliet ons alleszins met een een blij gezicht.

Een week zou ze wegblijven, een ganse week om over haar welbevinden te piekeren.  Ze stond niet op de eerste foto’s van de skireisblog.  Sommige kinderen stonden er misschien 4x op in close-up en deze keer moest ik lachen met de verontwaardiging van mijn man, die reageerde zoals sommige overbezorgde moeders kunnen doen wanneer ze vinden dat hun kind benadeeld is.  Toen we haar eindelijk terugvonden op de foto’s blonken haar oogjes vrolijk en viel er een pak van ons hart.

Die week werd ik een beetje grieperig, wat jammer was omdat ik ook iets te vieren had,  nl. mijn veertigste verjaardag.  Mijn man en ik bezochten een saunacomplex om mijn laatste dag als negenendertigjarige poedelnaakt te vieren.  Ik kan er niet veel van navertellen, want ik heb er zowat doorheen geslapen. Op mijn verjaardag zelf heb ik gekookt voor een dertigtal mensen.  Het etentje was een succes en het was ook gezellig.  Jammer dat ik snipverkouden was, maar ach, over zulke dingen zal je mij niet horen zeuren en zagen, ik heb zover ik weet immers niets levensbedreigend onder de leden. Er zijn ergere zaken in een leven dan een snotneus en de bijhorende ongemakjes.

De dag erna, op zeven april om 8.10u ’s morgens arriveerde de bus van skireis.  Toen mijn dochter afstapte greep ik haar vast alsof ik haar nooit meer zou loslaten.  Ze onderging het gelaten. En ik?  Ik bleite van blijdschap én opluchting.  Ik deed geen moeite om de tranenstroom te onderdrukken.  Dochterlief had een fantastische reis gehad. Ze was reuzeblij dat ze het niet gemist had en gaf toe dat we het bij het rechte eind hadden gehad om haar mee te sturen. Hoe had ik daar toch één seconde aan durven twijfelen?