Archief | december, 2011

waarom ik bijna in de grond kroop van schaamte

25 Dec

Wie al mijn schrijfsels gelezen heeft, weet dat ik niet zo verzot ben op GSM’s.  Ik stond dus niet te juichen toen ik op mijn werk zo’n communicatieprul cadeau kreeg, ten dienste van het werk uiteraard, maar gelukkig enkel tijdens de werkuren. Ik beschouw het meer als een blok aan mijn been, als een ONnoodzakelijk kwaad, dat helaas enkele gênante situaties opleverde.

Toegegeven, het ding had ook zijn nut.  Die keer toch, toen ik ’s avonds samen met een stagiaire op huisbezoek trok.  Het was haar eerste stagedag en ik liet meteen al een verpletterende ‘goede’ indruk na.  In het donker vond ik onze bestemming niet, er leek geen logica te zitten in de opeenvolging van de huisnummers.  Mensen met een slecht karakter kunnen dit ook aan mijn ‘goed’ oriëntatievermogen wijten. Ik bleef echter niet bij te pakken zitten en besloot de cliënt te bellen om mij de juiste richting uit te wijzen.  Tot driemaal toe drukte ik de pincode van mijn mobieltje in en lap… het ding was geblokkeerd.  Gênant hoor, als dit in het bijzijn van een leerling gebeurt!  Eerst sloeg ik het aanbod van mijn behulpzame stagiare om haar toestel te gebruiken gegeneerd af. Ten lange leste heb ik het dan toch maar met hangende pootjes aanvaard, want mijn privétoestel had ik – typisch voor mij – natuurlijk niet bij.  Die dag werd het alleszins pijnlijk duidelijk dat ikzelf ook nog  heel wat bij te leren had. Mijn stagiaire kreeg alvast een tien op tien voor respect (ook voor de zwakkeren uit onze maatschappij, zijnde de GSM-analfabeten) en voor discretie.

’s Anderendaags werd ik met een nieuw probleem geconfronteerd.  Na drie foute pogingen moet je immers de pukcode intikken om dat vervloekte ding terug aan de praat te krijgen.  Volgens mijn baas had ik deze in een klein mapje meegekregen bij de overhandiging van het toestel.  Deze keer deed mijn slordigheid me de das om. Waar had ik dat in hemelsnaam gelaten?  Na een intensieve zoektocht, die toch wel wat kostbare arbeidstijd vergde, kwam  het kleinood gelukkig te voorschijn.  Dit zal mij alleszins geen tien op tien opleveren bij mijn volgende evaluatie.

De pukcode bleek echter geen soelaas te bieden. Gelukkig was er een ringringring*winkel in de buurt.  In volle overtuiging dat zo’n GSM écht wel rommel is, begon ik ter plaatse heel verontwaardigd mijn probleem uit de doeken te doen.  De geduldige man aanhoorde gelaten mijn betoog en stelde vervolgens slechts één simpele, doch cruciale, vraag. “Mevrouw, u hebt toch wel het toestel bij dat bij die pukcode hoort?”  Even keek ik hem verbaasd en terzelfdertijd verward aan.  Terwijl ik twijfelend “natuurlijk” stamelde, draaide ik het onding om om mijn gelijk aan te tonen.  Op de achterzijde was immers het telefoonnummer gekleefd, als geheugensteuntje en ook om alle werktoestellen van elkaar te kunnen onderscheiden. Echter… de achterkant was egaal glad.  Zo rood als een pioen kon ik nog net uitbrengen dat ik inderdaad het verkeerde toestel bijhad.  Haastig verontschuldigde ik me voor het oponthoud om vervolgens met de staart tussen de benen af te druipen.

Dat ik mijn eigen toestel – dat na nadere inspectie duidelijk verschillend was van het werktoestel – niet herkend had, hoefde de brave ringringring*man niet te weten.  Dit was echter wel een item dat ik voor mijn collega’s moeilijk verborgen kon houden.  Totaal van de kaart door mijn eigen lompigheid en zenuwachtig giechelend, kon ik slechts één zin uitbrengen, toen mijn baas me vragend aankeek.

“Waar kan ik hier ergens in de grond kruipen van schaamte?”.

Grz
Joke
*verklaring ‘ringringring’: vervangwoord voor Belgacom.  Ik weiger gratis reclame te maken voor hen!

Advertenties

DE ontmoeting die mijn leven bepaalde

20 Dec

Twee jonge vrouwen daalden de trap af.

De ene had gitzwart ultrakort haar, het soort kapsel dat alleen flatterend is voor een vrouw als ze een opvallend mooi gezicht heeft.  En dat had ze, een supergave huid, oceaanblauwe ogen, fijne, maar niet al te dunne, sierlijk afgetekende wenkbrauwen, hoge jukbeenderen en volle lippen. Bovendien was ze gezegend met een rank figuurtje en lange slanke benen. Het andere meisje had een alledaagsere look, kastanjebruin volumineus halflang haar, grote bruine ogen, een reukorgaan dat één maatje kleiner had mogen zijn, maar anderzijds toch niet te opvallend aanwezig was.  Ze was iets kleiner, vooral korter gebeend, en terzelfdertijd iets ronder – behalve daar waar het mocht – dan haar hyperslanke vriendin.  Toch kon je haar bezwaarlijk mollig of dik noemen met een BMI, gelijk aan haar leeftijd, eenentwintig en een half.

En hij?

Hij zag hoe beide vriendinnen zelfverzekerd en zelfbewust de trap afdaalden.  Hij genoot van dit tafereel en vooral… hij was direct verkocht.  Zijn kameraad kreeg een stoemp in zijn zij en boven de lawaaierige muziek uit, riep hij : “Kijk, wat een ferm ding dat daar afkomt!” Hij had alleen oog voor haar en helemaal niet voor haar vriendin.  Integendeel, deze boezemde hem angst in met haar designeruiterlijk en de helblauwe blik, die hij als kil percipieerde.

Al vlug zocht hij contact met haar.  Hij vermeed standaardzinnen, doch zorgde ervoor dat hij spoedig haar naam kon achterhalen, zodat zijn ‘prooi’ minder anoniem werd.

Ze heette…Joke.

Aanvankelijk vond Joke hem een vreemde snuiter.  Hij had een onmodieus – toen toch – beatleachtig kapsel, dat echter wonderwel goed bij hem paste.  Net zoals zijzelf danste hij graag.  Zijn dansstijl was soepel en origineel, af en toe een tikkeltje te verwijfd misschien, doch binnen de grenzen van het aanvaardbare.   Hij leek erg zelfzeker en terzelfdertijd was hij speels en gevoelig.  Joke was gevleid door zijn nieuwerwetse hofmakerij. Hij was een beetje een charmeur, maar dan op een charmante manier. Ze mocht hem wel, hij deed haar lachen, maar ze kon ook een diepgaand gesprek met hem voeren. Toch hield ze de boot af, ze was immers nog lang niet toe aan een nieuwe relatie.

Hij had echter geduld, veel geduld.

Zonder concreet af te spreken ontmoetten ze elkaar bijna wekelijks. Stiekem begon Joke uit te kijken naar hun onvoorspelbare conversaties.  Bovendien was haar oog plots gevallen op zijn lange, bijna vrouwelijke, wimpers, en de schattige kuiltjes in zijn wangen.   Na ruim een half jaar stelde ze, tot haar eigen verbazing, vast dat ze hem eigenlijk best wel aantrekkelijk vond. Niettemin besefte ze pas dat ze verliefd was toen hij een vijftal weken wegbleef.  Ze wist dat hij op reis was, maar het wachten duurde ondraaglijk lang.  Toen ze hem na al die tijd terug zag, voelde ze hoe haar ogen begonnen te twinkelen.  Haar poging om  dit te verbergen, lokte bij hem een geamuseerde opmerking uit.  Even ging er een steek van jaloezie door haar heen, toen er een knap meisje lachend rond zijn hals kwam hangen.  Onhoorbaar zuchtte ze opgelucht, toen dit zijn jongere zus bleek te zijn.  Ze had inderdaad dezelfde kuiltjes in haar wangen.

Er kwam een nieuwe fase in hun leven.  Ze begonnen overdag af te spreken om elkaar beter te leren kennen. Een eerste keer, een tweede keer, een derde keer… Joke voelde dat het menens werd.  Ze genoot van de spanning die er tussen hen hing in afwachting van hun eerste kus.  Ze was er helemaal klaar voor, ze had het dekseltje gevonden dat op haar potje paste, haar zielsverwant.  Dacht ze toch…

Hij joeg haar echter de stuipen op het lijf door in alle ernst een onverwachtse vraag te stellen. “Wat vind je eigenlijk van SM?” Ze schrok. In één seconde leek haar wereld in elkaar te storten.  Ze was niet zo open minded, ze vond dit pervers en liet dit met veel verontwaardiging horen.  Toen ze uitgeraasd was, keek hij haar glimlachend aan en zei dat hij het helemaal met haar eens was.

Inmiddels zijn we veertien jaar getrouwd en moet ik mijn eerste pakske slaag nog krijgen…

hoe oorverdovend een stilte kan zijn

19 Dec

Welk heteroseksueel meisje droomt er niet van een grote, aantrekkelijke, lieve jongen als toekomstige partner? Ruim twintig jaar geleden was ik hierop geen uitzondering.  Na wat heen en weergefladder ontmoette ik mijn droomprins, maar helaas… de meeste dromen zijn bedrog.

Ik werd immers stapelverliefd op een onaantrekkelijke, grove maar lieve karakterkop.  Toen ik hem voor de eerste keer ontmoette, had ik slechts zelden zo’n onaantrekkelijke gast gezien en toch werd hij enkele maanden later mijn lief. Wellicht was ik overrompeld door de tonnen aandacht die ik van hem kreeg.  Na verloop van tijd keek ik figuurlijk, en helaas ook bijna letterlijk, over zijn kleine gedrongen lijf heen. Ik slaagde er wonderwel in om zijn gigantische reukorgaan met dito poriën te negeren en als ik hem kuste, proefde ik de lelijke vorm van zijn gevleugelde lippen niet. Eigenlijk had ik alleen maar oog voor de schittering in zijn varkensoogskes.

Op een zondagnamiddag, zo’n twintigtal jaar geleden, zou mijn lief komen kennismaken met mijn ouders.  Traditiegetrouw is zondag bij ons taartendag.  Een rijkelijk gevulde tafel met allerlei Limburgse ‘vlaaien’, zoals wij dat noemen.  Met of zonder calorierijke slag- of pasteibakkersroom, met heerlijke kruimel-, vettige schilfer- of verse gistdeeg oftewel zelfgebakken appel- citroen of marmercake,… kortom keuze te over.  In die tijd was het ook de gewoonte om van alles wat geproefd te hebben.  Een geplogendheid die ik inmiddels al geruime tijd afgeleerd heb, zo niet kon je me inmiddels wel rollen. Misschien verbeeldde ik het me slechts, maar ik zag mijn moeder lichtjes schrikken toen mijn tweeogige ongebochelde Quasimodo binnenkwam.  Later, toen onze relatie al geruime tijd verbroken was en zeker niet meer te lijmen, bekende ze me dat ze enorm verschoten was van zijn lelijke verschijning.  Ze had immers verwacht dat haar niet-onaardige dochter toch iemand knapper zou kunnen strikken.  Niettemin onthaalde ze hem hartelijk, zoals dat in onze contreien nu eenmaal gebruikelijk is.

Op mijn moeders verzoek gingen we met z’n allen aan tafel en mijn Quasimodo’tje dus ook.  Voor hem was het even wennen, als enig kind belanden in zo’n familiedrukte.  Mijn moeder voelde zijn ongemak en om hem gerust te stellen zei ze vriendelijk, terwijl ze gastvrij naar de taarten wees: “Pak maar uit, hoor, anders word je nóóit groot!”  Een zeer ongelukkige uitspraak, als je bedenkt dat hij écht wel klein van gestalte was.  Hij beweerde nochtans enkele centimetertjes groter te zijn dan ik – ik ben zelf net geen 1m65 – maar dat heb ik nooit geloofd.  Mijn schouders staken boven de zijne uit, al moet ik toegeven dat zijn grove karakterkop veel groter was dan mijn hoofd, wat natuurlijk niets zegt over de inhoud.  Na deze uitspraak, waarbij het woordje ‘groot’ echogewijs leek na te galmen, volgde er een oorverdovende stilte, wat het des te pijnlijker maakte. Mijn Quasimodo deed echter net, zoals de echte, alsof hij doof was en nam een lekker stukje taart en vervolgens nog eentje en dan een stukje cake.

Enkele jaren later was de liefde tussen ons uitgebloeid, vooral van zijnentwege.   Toen mijn lfdv voorbij was, nam ik me stellig voor om me de volgende keer toch meer uit mijn doppen te kijken.  Mijn volgende vriend moest duidelijk groter zijn dan ik en niet zo lelijk als zijn voorganger. Peace of cake! Liefdesverdriet omwille van een Quasimodo, dat nooit meer!

Exact 5 jaar later lag er een schattig klein meisje met grote prachtige kijkers in de wieg.  Nu ze groter is, lijkt ze sprekend op mij, maar ik ben minstens even trots op haar jongere zusje, waarvan velen beweren dat ze net haar vader is.

Grz
Joke
PS1  Aan Quasimodo (mocht hij dit toevallig lezen): je bent maar half zo lelijk als hier beschreven, hoor. Toch ben ik reuzeblij dat mijn kinderen geen varkensoogskes hebben!

één van mijn favoriete bezigheden

18 Dec

Wist je al, beste bloglezer, dat ik één van mijn favoriete bezigheden dagelijks uitvoer, zonder zelfs één nachtje over te slaan?  Meer nog, ik heb er zelfs niet altijd het comfort van een bed voor nodig en mijn echtgenoot ook niet.    We doen het gewoon te pas en te onpas. Je raadt het natuurlijk al, mijn man en ik zijn échte slaapkoppen.  ’t Is voornamelijk de te-onpas-situaties die ik nader wil toelichten.  Mocht ik dat voor de eerste mogelijkheid van plan zijn, is de kans immers groot dat je er, al lezend, bij in slaap valt.

Soms vind ik het eerder storend, mijn alledaagse hobby.  Het lijkt wel alsof ik geconditioneerd ben om te maffen vanaf het ogenblik dat ik me vier- of meerwielig op de baan begeef.  Als passagier, welteverstaan.  Veertien jaar geleden gingen we op huwelijksreis naar het romantische eiland Madeira.  Met de autobus verkenden we er de oost- en de westkust.  Dat was althans de bedoeling.  Terwijl sommigen met moeite hun maaginhoud binnenskamers konden houden, slaagde ik er niet in om mijn blik langer dan vijftien minuten naar buiten te werpen. Zelfs niet toen een jongetje, onbestand tegen de vele haarspeldbochten, de hele bus onderkotste.  Ik ontwaakte pas toen mijn man mij aanporde om de rugzak, die tussen mijn voeten geparkeerd stond, op te tillen om het onsmakelijke goedje dat door de bus dreef te ontwijken.  Bij iedere uitkijkpost schoot ik wakker door het gestommel in de bus. Slaapdronken stapte ik mee uit om van de prachtige vergezichten te genieten.  Iedere keer opnieuw maakte ik me het voornemen om geen uiltje meer te knappen, maar telkens opnieuw kreeg ik, na ongeveer een kwartiertje, een slag van de hamer. Romantisch gezelschap kan je me bezwaarlijk noemen.

Echter, mijn man kan er ook wat van.  Onlangs gingen we uit voor schoenen, voor onze dochters en mezelf.  Manlief mocht mee om te ‘helpen’ kiezen.  In de grote schoenenwinkel was er een wachttijd van drie kwartier.  Gelukkig kregen we al vlug een comfortabele zetel ter onzer beschikking. Binnen een redelijke termijn had de deskundige verkoopster beide dochters van het nodige schoeisel voorzien.  ‘Dat waren alvast de gemakkelijkste en de moeilijkste klant,’ waarschuwde ik haar. ‘Nu alleen nog de kieskeurigste.’  De verkoopster bleef onbewogen onder deze onheilspellende boodschap. ‘Dat zijn mooie schoenen,’ wees mijn man in de richting van een paar benenbrekers. Ik haastte me om de verkoopster in te lichten dat een hakje wel mag, maar dat er grenzen zijn aan mijn steltloopcapaciteiten.  Tevens benadrukte ik dat voor mij toch vooral het draagcomfort primeert. Wijselijk gaf mijn man de strijd op en nestelde zich terug in de zetel. Inmiddels kon het passen beginnen. Te smal, te plat, te klassiek, te…te…te…  Het kan niet anders of ik bezorgde de verkoopster grijze haren, maar ze liet niets blijken. Mmmmm… deze misschien?  Ik draaide me om naar mijn man om hem toch minstens de illusie te geven dat zijn mening ertoe deed.  Toen de verkoopster mijn echtgenoot in de smiezen kreeg, viel ze even uit haar professionele rol.  Mijnheer lag immers met lichtjes geopende mond zachtjes te knorren.  Professioneel als ze was, beperkte de verkoopster zich  tot wat onderdrukt gegiechel en wreef ze me niet onder mijn neus dat mijn getreuzel en getwijfel onmiskenbaar slaapverwekkend waren.  Prompt stopte ik met wikken en wegen.  Ik griste het laatste paar schoenen, bedankte de verkoopster voor haar hulp en wekte vervolgens zachtjes mijn man.  Nu was het immers zijn beurt…aan de kassa.

Af en toe doen mijn man en ik aan ‘betaald’ slapen.  Niet bewust, het overkomt ons gewoon. Vooral toen de kinderen klein waren, hadden we er een handje van weg.  Bij een pittige animatiefilm zoals Nemo of Ratatouille, viel het nog wel mee.  Maar als het verhaal wat meliger van aard was, zoals een film over de Winx-club, voelden we onze aandacht gaandeweg verslappen.  Geleidelijkaan creëerden we onze eigen film in dromenland waaraan sumultaan met de échte eindgeneriek een einde kwam. Geen nabeschouwing voor ons.  Alleen uit de enthousiaste kinderverhaaltjes konden we opmaken wat we allemaal ‘gemist’ hadden.  Vonden we niet zo erg, alleen zielig om te zien was de teleurstelling in de blik van onze jongste, omdat we, compleet onbegrijpbaar voor haar, de allerbeste film allertijden aan onze neus, euh ogen, hadden laten voorbijgaan.  ‘k Ben benieuwd of zij later, als moeder, eveneens de bioscoopuitbaters slapend rijk zal maken.

Toch hoeft het er niet altijd zachtjes aan toe te gaan om me in slaap te wiegen.  Als ik echt moe ben, kan ik het overal.  Nog niet zo lang geleden gingen we naar het dansoptreden van ons huppeltutje.  Hierdoor was mijn traditionele zondagnamiddagdutje in het gedrang gekomen. Maar… ik hield me sterk!  Ik heb geen seconde van haar performance gemist.  Het helse tromgeroffel van de plaatselijke sambaband die daarna optrad, had echter een hoogstmerkwaardig slaapverwekkend effect op me.  Dit tot groot jolijt van de mensen rondom me.  Doordat ik hun lachende ogen op mijn gezicht voelde priemen,  kwam ik terug bij bewustzijn.  Of lag het aan de flits van het fototoestel?

Gelukkig zijn er ook momenten en plaatsen waar het me nooit overkomt.  Zo ben ik nog nooit in slaap gevallen als we visite hebben (wat mijn man niet kan zeggen), tijdens het liefdesspel (uiteraard exclusief het naspel én wat mijn man gelukkig wél kan zeggen), op mijn werk (ondanks mijn ambtenarenstatuut zal ik nooit slapend rijk worden, bij nader inzien: ondanks mijn ambtenarenstatuut zal ik ook niet-slapend nooit slapend rijk worden), achter het stuur (alhoewel, één poging heb ik ooit ondernomen, gelukkig is het goed afgelopen dankzij mijn wakkere partner/medepassagier), en mocht ik het ooit ernstig overwegen… (wat hoogstonwaarschijnlijk is, gezien mijn brave imago). Hopelijk overkomt het me ook nooit tijdens…het plaatsen van een tatoeage!

GeenStalkingMachine voor mij, GeenSpeelgoedMobiel voor mijn dochter

16 Dec

Alhoewel ik een fanatieke blogster ben, heb ik een bloedhekel aan computers en allerlei andere technologische snufjes. Gelukkig kan ik me, vrouw zijnde, zulke tegenstrijdigheden permitteren. Waar ik helemaal niets van begrijp is, is de pathologische verknochtheid van veel mensen aan hun GSM.  Zonder dat nutteloze ding komen ze de deur niet uit, als betreft het een essentieel kledingstuk.  Vooral in het begin van het GSM-tijdperk  heb ik me mateloos geërgerd.  Toen waren die zeldzame toestellen nog duur in aanschaf en groot van formaat en manifesteerde de trotse eigenaar zich steevast als een very important person.

Tegenwoordig heeft iedereen, de sociale gevallen op kop, een mobieltje op zak en tracht men al dan niet op te vallen met een zo gesofisticeerd mogelijk exemplaar.  Je kan niet meer om de verschillende ringtonen heen – ik geef toe, er zitten er best wel leuke tussen – en stilaan heb ik me met dit fenomeen leren verzoenen.  Althans deels toch. ‘k Blijf het ergerlijk vinden als dat onding te pas en en onpas afgaat.  Wat is er bijvoorbeeld mis met het klassieke boodschappenlijstje?  De moderne huisvrouw kan blijkbaar niet meer plannen. Moeder de vrouw geeft à la minute aan manlief door wat hij moet meebrengen van de Delhaize. Moet je naar een begrafenis? Dan laat je dat ding, uit waardering voor je partner, zeker aanstaan, de dode is toch al dood, die behoeft geen respect meer.

Neen, voor mij geen GSM, al dacht mijn bezorgde echtgenoot er anders over.  Enkele jaren geleden meende hij me te plezieren door ons beiden zo een communicatieprul cadeau te doen. Een verrassing was het wel, doch geen aangename.  Al jaren aan een stuk waren we onze kinderen aan het sensibiliseren over het onnut van zo’n toestel.  Kwestie van ze een natuurlijke afkeer voor de kankermobiel aan te kweken alvorens hun puberteit aanbreekt en ze er als vanzelf naar worden toegezogen.

Al is het wetenschappelijk niet onomstotelijk bewezen, ik heb het niet op die dingen.  OK, gooi dan ook je microgolfoven, wekkerradio, computer (ja, die ook), koffiezetapparaat…en alle andere elektromagnetische stralingstoestellen buiten, hoor ik je denken. En vooral die twee flatscreens die je woon- én slaapkamer ontsieren, merkt de kritische lezer, aan wie ik mijn identiteit toevertrouwde, stilletjes op.

Tja, ’t is eigen aan de mens (lees: mens en niet enkel het sterke geslacht) om niet altijd consequent te handelen naar zijn ideeën. Dát maakt ons juist tot mens en dát onderscheidt ons van de dierenwereld waar er hoofdzakelijk vanuit instincten wordt geageerd, niet waar?  Volgens mij spant een GSM, qua DNA-vernietiger, toch de kroon, terwijl je makkelijk zonder kan.  Onder de leeftijd van 16 jaar is zo’n breinkoker zelfs volledig af te raden naar het schijnt.  Jonge kinderen met zoiets opzadelen is een milde vorm van kindermishandeling en dan druk ik me nog eufemistisch uit. Een mobieltje is bovendien maar een kort leven beschoren of wordt vaak onnodig vervangen door een hipper exemplaar.  Milieuvervuiling?  Onze rommel sturen we toch gewoon naar de derde wereld, probleem opgelost. Hallo, zeg!

En dan volgen al die halfslachtige argumenten van gebruikers om het algemeen nut van dat nutteloze toestel te bewijzen.  Stel dat je een lekke band krijgt, wat dan?  Dat kleine toestelletje kan eigenhandig toch geen band verwisselen of wel soms?  Ik denk dat je al een heel eind verder geraakt als je je vrouwelijke charmes in de strijd gooit bij een toevallige passant. Maar stel dat die dan een moderne Jack de Ripper is?  Tja, geen enkele GSM maakt je immuun voor verkrachters, moordenaars, kinderlokkers of ander crapuul.  Trouwens de kans dat je er kanker van krijgt, is veel groter dan de kans dat je wordt aangerand.

Al moet ik toegeven dat zo’n toestel voor sommige categorieën, zoals medici, wel een goede uitvinding is. Wellicht zal hún partner er anders over denken. Sommige gebruikers vinden het echter noodzakelijk om ten alle tijden met hun partner te kunnen communiceren. “Schat, zet de patatten alvast op, over een kwartiertje ben ik daar.”  Een vriend van ons kan geen 10 minuten alleen ongestoord bij ons binnen zitten of zijn echtgenote doet zijn broekzak trillen. Ze zit wat met me in, besluit hij telkens optimistisch. Geen Stalk Mobiel voor mij, denk ik dan.  Ik zou het ervaren als een radicale beknotting van mijn vrijheid.  Ik heb niets, euh niet veel, te verbergen voor mijn partner en ook zonder draadloze communicatie slagen wij erin om onze relatie in stand te houden. Goddank doet hij me liever elders trillen.

Twee jaar geleden vierden we samen met een bevriend koppel oudjaar.  Supergezellig, maar vanaf tien uur ’s avonds begint de belachelijke berichtjesellende.  Je kan net zo goed tegen de muur praten, want mijnheer en mevrouw moeten dringend sms’jes versturen. Er is geen ontkomen aan. Aja, wachten tot middernacht heeft geen zin, want dan ligt het netwerk plat.  Idioter dan dat kan toch niet of ben ik daar mis in?  Enkele maanden later heb ik mijn nieuwjaarsboodschappen pas gelezen.  Geen flauw benul had ik ervan dat ik mensen ken die zich met dergelijke onnozeligheden bezighouden.  De attente zenders hebben geen repliek meer gekregen.  In maart leek het me immers helemaal ridicuul om nog wederwensen te versturen. Onder zware sociale druk besloot ik vorig jaar om mijn nieuwjaarsberichtjes, zoals iedere normale mens, tijdig te lezen. ‘Met een vuurpijl in mijn kont, vlieg ik heel de wereld rond… om je een gelukkig nieuwjaar te wensen,’ las ik luidop voor. Afzender…onze mannelijke gast. Origineel hoor, zo’n oprechte wens die zich vibrerend van de ene naar de andere mobiel verspreidt als een besmettelijk virus.

En dan onze jongste. Wat zou ze toch zó graag een mobieltje hebben.  Spijtig genoeg zit ze opgescheept met een stel ouders, die haar dit pretje principieel niet gunnen, die vinden dat dat geen speelgoed is, maar die haar creativiteit – ze knutselde er zelf eentje – bewonderen.  Bovendien heeft ze de brute pech dat haar oudere zus, schijnbaar ongevoelig voor dergelijke typische ik-wil-erbij-horen-tienerattributen, het gevecht met de ouders nog niet heeft beslecht voor haar.

Ongeveer een maand geleden ging ik onze elfjarige ophalen na een verjaardagsfeestje. “Heb je je geamuseerd?”, vroeg ik geïnteresseerd.  Ze bevestigde zwakjes, doch haar non-verbale gedrag sprak boekdelen.  Even later werd de reden duidelijk.  Drie prille tienermeisjes, knusjes naast elkaar op de bank, hadden onderling de grootste fun met hun mobieltje. Eén klein meisje, geen plek voor vier op een rij, stond er voor spek en bonen bij te kijken.  Tja, dat deed mijn moederhart wel even bloeden.  Op haar vraag wanneer zij ook eindelijk een GSM krijgt, moest ik het antwoord schuldig blijven.  Trouwens, probeer je beweegredenen maar eens toe te lichten in het bijzijn van drie andersdenkende moeders die hun kinderen duidelijk wél graag  zien.

Onderweg naar huis zette ze haar emotionele tirade voort. Ze smeet me voor de voeten dat het niet eerlijk is dat wij wel een GSM hebben.  Ook merkte ze denigrerend op dat onze mobieltjes hopeloos verouderd zijn… niet openklapbaar, zonder touchscreen.  Kortom, wat een sukkels zijn we toch! En hoe benadeeld is zij met zulke ouders, ze krijgt niets van ons en en ze mag niets van ons. (Het lieve kind is nog maar elf, dat gaat nog vuurwerk geven over enkele jaren) Uit collère gooide ze haar zelfgefrabiceerd exemplaar in de vuilnisbak om haar gelijk te benadrukken. “Weet je wat ik het ergste vind?,” besloot ze verongelijkt, “Ik ben er zeker van dat als ik geld krijg voor mijn verjaardag of zo, dat ik daar dan geen GSM mee mag kopen”
En gelijk heeft ze!

wat heb ik wat jij niet hebt?

15 Dec

“Al heb je twaalf kinderen, je zal er nooit twee dezelfde hebben.” Eén van de favoriete uitspraken van  mijn grootmoeder zaliger.

Wij hebben er slechts twee – leve de anticonceptie – en grotere verschillen dan tussen onze dochters vind je in geen enkele nest.  De oudste struint door het huis zoals een boer op zijn patattenveld.  De jongste daarentegen waant zich voortdurend op de catwalk en koketteert herhaaldelijk met haar eigen spiegelbeeld.  Ze dweept met tieneridool Justin Bieber, terwijl de oudste verzot is op harige spinnen en zowat elk ander ongedierte waarvan het gemiddelde meisje de bibbers krijgt. Als vijfjarige stak ze regelmatig vier (!!!!!!!!) hommels in een klein tiktakdoosje.  Hoe ze dit lapte, blijft een mysterie.  De keren dat we met de auto onderweg waren en ze doodleuk vroeg om even te stoppen omdat één van haar hommels, die ze meegesmokkeld had, uit zijn beklemmende gevangenis was ontsnapt, zijn niet op één hand te tellen.

Als ik met de dames wil gaan shoppen, kan ik me aan luid protest verwachten van de oudste. Ze heeft er een bloedhekel aan en laat dit helaas ook in de winkel blijken. De jongste doet niets liever dan passen, zodat we vaak terugkeren met massa’s nieuwe kleren voor de jongste terwijl haar zus bijna in haar bloot gat rondloopt.  Het kan haar niets schelen.  Jeansbroeken met een lage taille?  No way.  Probeer zeker niet uit te leggen dat dat modieus is, want dat zit helemaal niet lekker en wat heb je trouwens aan die stomme mode!  Een argument waar weinig tegenin te brengen valt, maar toch…  Enkele jaren eerder al trok de jongste haar rokje zo laag mogelijk over haar heupen om met haar blote naveltje te kunnen concurreren met de anorexale wezentjes van de Winx-club.

Naar de kapster?  De oudste gaat enkel mee onder zachte dwang.   Haar lange manen moeten nu eenmaal verzorgd worden en regelmatig een beetje bijgeknipt.  Durf haar echter niet voorstellen om van coupe te veranderen.  Wellicht zal ze de rest van haar leven met hetzelfde kapsel slijten.  Voor de jongste is een kappersbezoek pure wellness.  Van haren wassen tot föhnen…ze geniet er met volle teugen van, vooral van de exclusieve aandacht die ze krijgt voor haar uiterlijk. De kapster zelf kan niet nalaten om telkens het grote contrast tussen mijn dochters te benadrukken.

De oudste is uitgesproken een vaderskindje.  Met hem kan ze praten over wetenschap en techniek, een materie waarvan haar moeder geen kaas gegeten heeft.  Ze is zuinig met haar lichamelijke contacten, maar ’s avonds vlijdt ze zich in de zetel tegen haar papa aan om samen naar National Geographic, Discovery Chanel of een natuurfilm te kijken.  De jongste, een moederskindje, kruipt op haar beurt tegen mij aan om een Idool uit te kiezen en huilt hartverscheurend dikke krokodillentranen wanneer haar favorietje Kato het net niet haalt.  Heeft ze daarom minstens vijf weken achter elkaar met een zelfgeknutseld kartonnen spandoek met de leuze “Kato aan de top!!!” voor de tv gezeten?  De teleurstelling druipt letterlijk van haar gezichtje af. Qua uiterlijk is het net omgekeerd: de oudste is een blonde, jonge versie van mezelf, gelukkig voor haar heeft ze wel de lange benen van mijn man. Van de jongste wordt gezegd dat ze eerder op haar papa lijkt, vooral haar guitige blik. Alhoewel de meningen hierover weleens verdeeld zijn.  Er is een tijd geweest dat ze dit niet leuk vond, want het allerallerliefste leek ze op haar mama. Dat die tijd voorbij is, blijkt uit volgende conversatie.

“Mama,” vraagt onze jongste “Vraag mij eens wat ik heb wat jij niet hebt.”  Eerst begrijp ik haar ingewikkelde vraagstelling niet goed.  Ongeduldig legt ze me uit wat de bedoeling is. Ik snap het.  “Wat heb jij, wat ik niet heb?” vraag ik dus om haar te plezieren.  Met twinkelende pretoogjes kijkt ze me schalks aan. Goh, wat lijkt ze zo toch veel op haar vader. En dan zegt ze met een perfecte intonatie om de impact van haar antwoord kracht bij de zetten, theatraal langzaam, maar duidelijk articulerend : “Schoonheid!”.  Een fractie van een seconde ben ik met verstomming verslagen. “Ach, zooo…” Ik herpak me snel en kaats de bal vrijwel onmiddellijk terug. “En van wie denk je dan dat je die schoonheid gekregen hebt?” “Van papa!” antwoordt ze zonder aarzelen en behoorlijk triomfantelijk.  Mijn man, die ons praatje halvelings heeft gevolgd, verslikt zich bijna in zijn koffie van het lachen.  Zijn voorspelbare commentaar laat ik gelaten over me heengaan.  Ik geef onze jongste telg een speelse tik op haar malse billen en stel terzelfdertijd vast dat ze deze overduidelijk NIET van haar vader heeft.

Bij mezelf denk ik: “Kind, ooit komt er een tijd dat je grààg op je mama lijkt.”  Zal ik met pakweg 28 jaar geduld toekomen?

Poesen en Clooten

14 Dec

Roddelen.  Sta me toe om een tikkeltje omgekeerd seksistisch te zijn: ik vrees dat dit toch vooral een vrouwelijke aangelegenheid betreft.  Alhoewel?  Sommige mannen kunnen er ook wat van. Als ik de fabrieksverhalen van mijn echtgenoot hoor, zou ik denken dat hij als enigste vent tussen de wijven werkt. Toegegeven, ik ben de laatste om te beweren dat ik er nooit aan meedoe, maar over het algemeen probeer ik toch te spreken in eer en geweten. Als ik me trouwens al eens begeef aan een roddel, ben ik meestal zo fair om mijn toehoorder er attent op te maken.

Sommige roddels zijn zo hardnekkig dat ze een eigen leven gaan leiden. Zo circuleerde er tijdens mijn tweede zwangerschap een onwaarschijnlijke roddel over mijn gynaecoloog.  Het was zo een belachelijk verhaal, dat je je niet kan voorstellen dat er überhaupt mensen bestaan die erin meegaan.   Men beweerde immers dat de brave man zich wou laten ombouwen tot vrouw.  ‘Geloof ik niets van,’ zei ik, toen ik dit praatje voor het eerst hoorde.  ‘Ik zou wel kunnen geloven dat hij homo is,’ voegde ik er niet al te netjes aan toe. Omdat ik destijds regelmatig bij hem op consultatie moest, sprak nagenoeg iedereen me erop aan. ‘En toch is het waar,’ stelde ook mijn schoonmoeder.  ‘Want…’ ze hield een korte pauze om haar stelling kracht bij te zetten ‘…op de Landelijke Gilden hebben ze het gezegd!’ Ik proestte het uit. Alsof hiermee het wetenschappelijk bewijs geleverd is. ‘Hij is al met een hormonenkuur bezig’ kreeg ik van anderen te horen.
De bewering dat deze geslachtsverandering in het ziekenhuis zelfs schriftelijk werd aangekondigd via een affiche tegen de wachtkamermuur, sloeg werkelijk alles. Meteen sloeg mijn fantasie op hol om een geschikte tekst te verzinnen.

Onze gynaecoloog knijpt er even tussen uit

als hij wederkeert, is het zonder fluit

Doch voorzien van borsten en spleet

is hij als vrouw zo goed als compleet

Echter… jamais zal hij zijn cliënteel volledig evenaren

want zij…

zij kan geen kinderen baren.
Ook mijn hoogbejaarde buurvrouw, Jeanneke, maakte het bont.  Ze is zo een type dat leeft van en voor de roddels.  Ik zie haar zo nog binnenkomen bij de kapster. Dat beeld, die film als het ware, staat op mijn netvlies gebrand.  Met een grijns op haar gezicht stevent ze me voorbij, zo snel als haar oude benen haar kunnen dragen en me volledig negerend, recht op een ander oud besje af. Vervolgens loopt ze af als een wekker. “Vreselijk, hè, van Lieske.  Maar ik kan het toch wel begrijpen, wat dat mens al allemaal heeft meegemaakt vanzeleven…”  Je ziet hoe ze geniet van het feit dat er iemand in haar kennissenkring zelfmoord heeft gepleegd en ze zowel de lugubere details van dit voorval als de turbulente levensloop van het slachtoffer uit de doeken kan doen. Wat had ik graag hardhandig de voldane grijns van haar gerimpelde smoel geveegd, maar uiteraard hield ik me in.  Je kan je dus wel voorstellen dat de roddel over mijn gynaecoloog, dokter Poesen – een toepasselijke naam die ik, hier en nu, verzin – een kolfje is naar haar beverige hand.

Al dan niet toevallig stond Jeanneke buiten toen mijn man en ik van een consultatie bij dokter Poesen terugkwamen.  Omdat we even later nog weg moesten, hadden de auto voor onze brievenbus geparkeerd en konden we haar niet negeren zonder grof te zijn.  We hoopten er met een knikje vanaf te komen, maar dat was buiten de waard gerekend. “Alles goed?” informeerde ze quasi belangstellend, ondertussen gebarend op mijn bolle buik.  “Ja, ja, alles in orde, we komen net terug van de gynaecoloog.”  Ik had deze laatste zin nog maar net uitgesproken of ik kon mijn tong wel afbijten.  Ze wist bij wie ik in behandeling was.  Nu had ik de deur naar de roddelkamer wijd opengezet.

“Weet je wat de kaarters beweren?” vroeg Jeanneke op een geheimzinnig achterbaks toontje.  Ik had geen zin om haar spelletje mee te spelen, zoals je bij een kind doet dat je een  mopje wil vertellen dat je eigenlijk al duizend keer gehoord hebt. “Ja, ik heb die roddels ook gehoord,” benadrukte ik uitdrukkelijk het cursieve woordje. “Allemaal onzin” en wijselijk verzweeg ik dat mijn man en ik onderweg lacherig gedaan hadden over het feit dat dokter Poesen ineens geen snor meer had. “Ik heb mijn tweede afspraak bij die viezerik afgezegd.  Geen denken aan dat ik die vent nog eens aan mijn lijf laat komen.”  Eerder had ze me toevertrouwd dat ze haar ‘water’ niet meer kon ophouden ingevolge een verzakking van baarmoeder en blaas.  Ik wou haar nog zeggen dat het niet verstandig was om haar afspraak te annuleren, maar haar telefoon rinkelde en ze haastte zich naar binnen, zo goed als zeker op weg naar een nieuwe roddel.

“Kijk daar!” Mijn man wees naar de grassprietjes waarboven zij juist gestaan had.  Ze waren lichtjes beneveld.
Enkele maanden later wierf het ziekenhuis een vrouwelijke vrouwenarts aan.  Ook dokter Poesen blééf, zowel in dienst als bij zijn oorsponkelijke geslacht.  Maar goed ook, want volgens mijn man zou hij als vrouwmens aartslelijk zijn door de uitgesproken ronde vorm van zijn uitgesproken dikke, licht kalende kop.  De nieuwe aanwinst, dokter Clooten – sorry voor het woordgebruik, maar ik kon het niet laten om opnieuw een amusante naam te verzinnen – bleek zijn schoonzus te zijn.  Leidde deze nauwe familierelatie tot de ongebruikelijke geslachtsverwarring? Hoe dan ook, na de indiensttreding van dr. Clooten en ettelijke geboortes later stierf de roddel over dr. Poesen een langzame dood.

Hoe het mijn buurvrouw verging?  Ook goed.  Godzijdank kreeg zij een hartinfarct.  Zij diende geopereerd te worden, doch dankzij de goede communicatie van dokter Poesen werd terzelfdertijd haar overrijpe vrouwenhandeltje opgetrokken.  Vanaf dan was het gras niet meer groener aan de overkant.  Tot onze grote opluchting herstelde Jeanneke volledig en werd zij helemaal terug haar oude vertrouwde wauwelende zelf. Ge-lukkig, want wie zou mij anders de laatste smeuïge dorpsnieuwtjes kunnen vertellen?!