als de rook in mijn hoofd is verdwenen…

5 Dec

Mijn allerslechtste eigenschap, beste bloglezer, is mijn extreme slordigheid in combinatie met een mateloze  nonchalantie. De mensen die me kennen kunnen bevestigen dat ik niet overdrijf, integendeel, ze zullen dit hét understatement van het jaar noemen. Daarenboven ben ik ook nog eens een warhoofd, een verstrooide professor, maar dan zonder zijn bovengemiddelde intelligentie.  Te pas en te onpas slaag ik erin om vanalles en nog wat te verliezen.  Mocht ik al de tijd die ik verklungel met zoeken op een of andere manier kunnen recupereren, dan zou ik een zee, straffer nog, een oceaan, van tijd hebben om een boek te schrijven, zelfs al heeft geen kat tijd of goesting om het te lezen, of om handmatig een smyrnatapijt te knopen met de oppervlakte van tien voetbalvelden.

Vorige week was ik weeral het slachtoffer van mijn eigen slordigheid. Ineens bleek mijn portefeuille van een bekend apenmerk spoorloos. Veel briefjesgeld zat er niet in, maar wel enkele belangrijke documenten zoals mijn identiteitskaart, rijbewijs en SIS-kaart.  Ook een hele reeks klantenkaarten waardoor ik toch heel wat interessante kortingen aan mijn shoppende neus zie voorbij gaan én een winnend win-for-life-biljet.  Gelukkig niet de periodieke maandelijkse geldschieter. Mocht dit het geval zijn, dan was ik nu al ruim 150 uren non-stop met mijn hoofd tegen een muur aan het bonken.

Mijn hopeloze nonchalantie heeft als enig voordeel dat ik redelijk rustig blijf als ik weer eens wat ben kwijtgespeeld.  Bij mij is dat immers schering en inslag en in de loop der jaren is er toch wel enige gewenning opgetreden. Al moet ik toegeven dat het verlies van mijn portefeuille mijn zoekmotivatie meer aanwakkert dan de ontstentenis van een banaler voorwerp.  Op alle logische plaatsen, zoals mijn handtassen, jas- en broekzakken en auto, heb ik gezocht en ook op minder vanzelfsprekende plekken, aangezien ik een warhoofd ben. Evenmin echter blijk ik mijn geldbuidel diepgevroren of aan de kippen gevoerd te hebben.

Vandaag begaf ik me dus eindelijk naar de politie om mijn stommiteit aan te geven.  Ik was er nooit eerder geweest en worstel helaas ook nog eens met een legandarisch oriëntatieprobleem. Hierover kan ik letterlijk een alfabet aan boeken schrijven, ik zit al aan de letter H van hopeloos. Volgens mij situeren al deze negatieve eigenschappen zich in hetzelfde hersenkwabdeel, dat bij mij overduidelijk onderontwikkeld is. Hopelijk is het geen voorloper van dementie, ik vrees er een beetje voor. Ik parkeer mijn auto op de ruim voorziene parking en vind wonderwel onmiddellijk mijn weg naar de deur.  “Waar kom jij uitgekropen?”, vraagt de vriendelijke loketbediende, een vage kennis. Hoezo?  Ik blijk me dus een plaats op de personeelsparking toegeëigend te hebben.  Verschrikt vraag ik meteen of dat een boete zal opleveren, anders ben ik maar al te bereid om mijn auto te verplaatsen. Niet nodig.

Na een korte uitleg over het doel van mijn bezoek, mag ik plaatsnemen in een wachtlokaal. Gelukkig zitten er geen andere criminelen.  Even later komt een inspecteur me afhalen.  Een grijze, neen witte, gemoedelijke opa met een penetrante geur.  Geen lijfgeur, alhoewel?, zo mag je het mogelijkerwijs wel noemen, hij is een verstokte roker. Ik schat hem 67 jaar, wellicht is hij minstens 10 jaar jonger. De levensbedreigende nicotine heeft zijn huid een anti-facelift gegeven, zijn gezicht ziet er dof en pafferig uit. Hij gebaart me plaats te nemen aan de andere kant van zijn bureau en spontaan wil ik hem een tiktakje presenteren. Mensenlief, zo rokers, die kunnen toch uit hun bek stinken! Slechts weinigen onder hen die dat beseffen.  Pas als ze zelf stoppen met roken realiseren ze zich wat ze hun niet-rokende medemens, gedurende al die jaren die in rook zijn opgegaan, hebben aangedaan.  Ik ben best wel tolerant ten opzichte van rokers zolang ze hun giftige dampen niet in mijn gezicht of gordijnen blazen.  Neen, geen actieve smoorder in mijn kot. Heb je trouwens al ooit eens zo een vleesgeworden asbak gekust, zelfs al is het zedig op de wangen? Moeilijk hoor om je weerzin te verbergen. Soit, ik dwaal af, het is zoveel makkelijker om over andermans  kwalijke eigenschappen te schrijven dan over de mijne.

De ambtenaar begint ijverig te typen. Ik ben stiekem verbaasd dat hij zo vlot met de computer overweg kan. Hij zegt geen woord en ik zwijg ook wijselijk opdat hij zijn stinkmuil niet nodeloos zou opentrekken.  Woordeloos duwt hij me enkele papieren onder mijn gevoelige neus ter ondertekening.  Het ene document dient voor een geüpdate identiteitskaart, met het andere krijg ik een fonkelnieuw rijbewijs, gelukkig zonder   mijn rijvaardigheden opnieuw te moeten demonstreren. “Er is iets misgegaan met dit papier,” walmt hij, terwijl zijn vergeelde vinger het betreffende document aanwijst.  “Het systeem heeft je naam er niet opgezet.  Ik weet niet hoe dat komt.  Maar het kan zijn dat ze dit niet aanvaarden als je ermee naar de dienst rijbewijzen gaat.”  Wat voor een ambtenarenuitleg is dat?  Bij wie moet ik dan in hemelsnaam reclameren?  Bij mijn vriend, de politie? “Kan u mijn identificatiegegevens dan niet gewoon met een pen invullen?” opper ik voorzichtig. “Neen, dat mag niet, de naam wordt altijd automatisch voorgedrukt op dat formulier.”  Ik ben lichtjes verbouwereerd over zoveel stompzinnigheid. Voor mij ligt een  naamloos blad met enkel de handtekening van de snuggere inspecteur, zelfs een stempeltje ontbreekt.  Iedere zeldzame ambtenaar die zijn taak ietwat serieus aanpakt zal me geen nieuw rijbewijs afleveren op basis van zoveel onduidelijkheid.  Ik geef het niet op en maak gebruik van mijn assertieve vaardigheden die op de sociale hogeschool werden versterkt.  Uiteindelijk krijg ik de brave uniformman zo ver dat hij mijn gegevens manueel intikt waardoor hij alsnog een gepersonaliseerd exemplaar kan afdrukken. Oef! Ik rijd vlot van de parking af en gris nog net op tijd mijn gordel.

Buiten alle verwachting om word ik op het gemeentehuis snel en correct verder geholpen.  Mijn rijbewijs wordt in een doorzichtig mapje gestoken.  Tegen mijn natuur in wil ik het onmiddelijk veilig in mijn portefeuille opbergen.  Mijn goede voornemen wordt gedwarsboomd omdat het verlies van dat ding nog steeds een feit is.  Wat ook een feit blijft is mijn gebrek aan oriëntatie.  Ik weet begot niet meer waar mijn auto geparkeerd staat.  Toevallig hebben marktkramers het marktplein ingenomen, waardoor mijn zicht belemmerd wordt en ik nog minder weet waarheen.  Ik besluit van de nood een deugd te maken en koop frisse groenten, verse vis en een gebakje. Dat heb ik wel verdiend, vind ik en terzelfdertijd moet ik aan mezelf toegeven dat dat eigenlijk helemaal niet het geval is.  Na het marktplein ettelijke keren doorkruist te hebben, sla ik eindelijk de juiste weg in.

Onderweg geniet ik van de onverdiende kattetong. Ik besef niet dat een vrouw die op straat eet even ordinair oogt als een rokende voetgangster. Bepakt en bezakt nader ik de auto.  Gewoontegetrouw tast ik alvast in mijn jaszak naar de sleutel met afstandsbediening. Ik tast en ik tast en ik tast.  Zeg dat het niet waar is…

 Ligt mijn sleutel tussen de peren of tussen de patekes?

Advertenties

2 Reacties to “als de rook in mijn hoofd is verdwenen…”

  1. Menck 5 december 2011 bij 7:32 pm #

    Of is hij in ROOK opgegaan?
    😉

  2. sol 5 december 2011 bij 7:35 pm #

    dit is mijn verhaal!
    de beheerder van de markt had mijn sleutels gelukkig gevonden.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: