Archief | december, 2011

(vervolg) … tieten!

31 Dec

(vervolg van ‘help, hèlp, HELP, HELLEP, ik krijg…)

Daar zat ik dan, in de wachtzaal van mijnheer dokter Doktoor, samen met mijn dollyklonen.  Ik probeerde het ongemak te vergeten door in de boekskes te bladeren.  Misschien konden de roddels wel voor enige afleiding zorgen.

Yep, het werkte goed, maar na ongeveer anderhalf uur wachten, begon de spanning toch toe te nemen, niet alleen ter hoogte van mijn longen, maar ook in mijn hoofd.  Stel dat mijn baby nu honger had.  Hoe zou haar papa haar kunnen paaien? Ze had nog nooit een poedermelkske gedronken.  We hadden zulk goedje zelfs niet in huis.  En tegen honger bestaat geen medicijn, enkel eten helpt.  In gedachte hoorde ik haar hartverscheurend huilen en zag ik hoe mijn man haar tevergeefs probeerde te troosten.  Ik begon me inwendig op te jagen. Mijn nervositeit steeg exponentieel met de minuut.

Toen ik eindelijk aan de beurt was, liep ik de dokter, die de deur galant openhield, straal voorbij het dokterscabinet binnen en vooraleer hij er erg in had, pramde ik mijn joekels in zijn gezicht. Neen, beste bloglezer, zo ging het net niet, maar ik wou hem geen kans laten voor de gebruikelijke smalltalk bij het begin van een consultatie.  Dus stak ik meteen van wal.  “Dokter, ik heb geen tijd.  Wil u me vlug onderzoeken, want mijn baby heeft honger.” “Hoezo, je baby heeft honger?” “Ik geef nog steeds borstvoeding. Voor ik vertrok wou ze echter niets eten en inmiddels ben ik al twee uur hier,” ratelde ik.

“Wat ben jij een slechte moeder,” antwoordde de olijkerd en laat dat nu nét een reactie zijn die ik kon missen als kiespijn.  Dapper negeerde ik deze opmerking en herviel in herhaling.  Doch ook mijnheer Doktoor papegaaide zichzelf na. “Maar jij bent écht een slechte moeder!”  Deze keer was ik wel van mijn melk en bijgevolg gaf ik hem onbedoeld van hetzelfde laken een pak. Ik begin immers te huilen, te huilen…  Ik had het niet meer onder controle.  Er leek geen einde te komen aan mijn hormonale tranenstroom.  Mijnheer Doktoor keek me lichtjes onthutst aan. Prompt begon hij me te onderzoeken. Naast een medicatievoorschrift kreeg ik bovendien de wijze raad om mijn man op mijn blote knieën te danken.   Want door de juiste diagnose te stellen en me vastberaden door te verwijzen, had hij me heel wat miserie bespaard.

Op het einde van de consultatie deed mijnheer Doktoor een onhandige poging om te achterhalen of ik met een postnatale depressie kampte.  Met een gebroken stem ontkende ik zijn psychologisch geleuter.  Eigenlijk wou ik zeggen : “Neen, ik heb alleen maar last van een dokter met een vervaarlijke grote muil”, maar het nasnikken en de elementaire beleefdheid, die ikzelf met de moedermelk had binnengekregen, verhinderden dit. Met rode ogen en dito tiet verliet ik het cabinet en haastte ik me naar de eerste de beste apotheker en daarna naar mijn hongerige baby.

Ze heeft het overleefd en ik ook.  13 jaar later schalt het tietenlied van “kinderen voor kinderen” door ons huis.  In een totaal andere context, maar wel de rechtstreekse aanleiding voor dit blogstukje.

http://youtube.com/watch?v=90BnU4CRUSI

Hoe het inmiddels met mijn tieten gaat? Ze hebben terug hun normale kleur en zijn verworden tot eerder ietwat slappe balonnen, euh balonnetjes. Kortom, ze stellen het goed en voor hun leeftijd en voorgeschiedenis zien ze er best wel ok uit.

’t Is maar dat je het weet!

help, hèlp, HELP, HELLEP! Ik krijg…

31 Dec

De geschiedenis herhaalt zich vroegtijdig.

Onlangs kweelde onze jongste uit volle borst(jes) binnenshuis het refrein dat ik 13 jaar eerder in het moederhuis had bezongen… ’t Is te zeggen, in gedachten toch.

Iedere moeder die haar kroost zelf ter wereld heeft gebracht, herkent wellicht het volgende tafereel.  Enkele dagen na mijn eerste bevalling kon ik niet meer op mijn zij slapen.  Deze pose werd immers verhinderd door een ti(e)tanische  zwelling van mijn ‘longen’. Mijn man, waarvan ik altijd gedacht had dat hij een voorkeur had voor dikke konten (en daarmee was hij aan het juiste adres), bleek zich ineens te ontpoppen tot een ware tettenman (den overloper).  Nooit eerder had ik hem zo enthousiast gezien, zelfs niet tijdens de memorabele bevruchting. Hij moest er echter met zijn poten vanaf blijven!  Mijn boobies hadden een nieuwe functieomschrijving gekregen en manlief paste absoluut niet in dat plaatje.

Eenmaal mijn tietenvandolly(parton)klonen aan hun nieuwe opdracht gewend waren, verliep de borstvoeding vloeiend.  ’t Was toch minder vanzelfsprekend dan dat ik voorafgaandelijk gedacht had. Doch vanaf het ogenblik dat onze dochter, figuurlijk, beet had hoe het moest en ik ook,  was het (h)euvel binnen de kortste keren verholpen en bleek het de beste uitvinding sinds… Ja, sinds wat eigenlijk?

Enkele maanden later was mijn baby tijdelijk zo verzadigd dat ze geen pap meer kon zeggen. Genadeloos liet ze me met mijn melkvoorraadje zitten.  Helaas bleef ik, zelfs zonder afnemertje, gewoon verder produceren, alsof ik instond voor de voedselbevoorrading van een druk bezette crèche.  Het gevolg liet zich raden. Spoedig zat ik weeral met twee gespannen balonnen, die net niet op ontploffen stonden.  Een licht kneepje erin en ik kon verder melk spuiten dan venten kunnen piesen in een wedstrijdje omterverst.

Het ging zelfs van kwaad naar erger.  Zo erg dat ik na het eten mijn man sméékte om mij uit de  nood te helpen.   Afkolven had ik nog nooit gedaan – ik had trouwens geen melkmachine voorhanden-, de baby wou niet drinken en ik stond op ontploffen. Er was geen ontkomen aan, manlief moest eraan geloven: ik legde hem aan. Het was een bespottelijk zicht en door mijn ellende heen schuddebuikte ik van het lachen.  Ik besefte ten volle dat ik op deze manier mijn productie wellicht nog meer zou opdrijven, maar op dat moment kon me dat geen barst schelen want… ik stond op barsten.

Aanvankelijk was mijn man laaiend enthousiast.  Eindelijk kreeg hij terug een plekje in de vernieuwde functieomschrijving.  Bovendien was hij nieuwsgierig naar de smaak van dat witte goedje. Dat bleek echter een tegenvaller van jewelste te zijn, net met water aangelengde melk die daarenboven bovenmatig gezoet was.  Van de biertjes die de producente dronk i.f.v. het productieproces was er geen hopje te bespeuren.  Na enkele slokjes was hij het goedje zo beu als kouwe pap. Ik smeekte hem echter om verder te gaan om mijn ongemak te verlichten.

Ongeveer anderhalve liter later (een ruwe schatting, je mag dit met een zoutmijn nemen) smeekte mijn man mij om te mogen stoppen.  Hij had net een volledig middagmaal achter de kiezen en als toetje kon dit wel tellen.  Hij werd er onpasselijk van.  Routineus liet ik hem een boertje doen over mijn schouder.  Al zijn inspanning ten spijt, was mijn probleem niet verdwenen uit het melkwegstelsel.  Integendeel zelfs, mijn borsten voelden pijnlijker aan dan ooit tevoren.

Mijn echtgenoot knipte de leeslamp aan en met een kennersblik aanschouwde hij zijn favorieten.  Hij stelde vast dat één van hen nogal bloosde en precies behoorlijk hard aanvoelde. “Volgens mij kamp je met een borstontsteking,” diagnosticeerde hij gedecideerd.  Geen tegenspraak duldend, stuurde hij me op staande voet naar mijnheer Doktoor.
Ondertussen sliep onze baby vredig verder.

wordt vervolgd…

the beauty and the beast

30 Dec

Nooit gedacht, dat ik de wachttijden bij de dokter nog eens zou gaan missen.  Ik zag er altijd tegenop om naar de dokter te gaan, want je wist op voorhand dat je er twee volle uren mee zou verspelen.  Nu hij eindelijk op afspraak werkt en ik slechts maximum 5 minuten in de wachtzaal hoef te verpozen, heb ik – raar maar waar – heimwee naar de lange wachttijden. Ach, wellicht niet zozeer naar de lange wachttijden an sich, maar vooral naar de sfeer in de voorheen gevulde wachtkamer.

Oké, toen ik in de overvolle wachtzaal zat, mocht ik mijn gedachten niet laten gaan naar de zwevende bacteriën en virussen voor wie het constant party-time was. Gemakkelijke prooien, die zieke mensen, maar ze vonden het helemààl dolletjes als ze gezonde mensen konden laten delen in de feestvreugde door hen onzichtbaar te betrekken in hun oneindige orgieën. Ik trachtte dit beeld uit mijn fantasie te bannen als ik de Knack opzij schoof om naar de Story of Dag Allemaal te grijpen, mijn excuusliteratuur als ik, al dan niet ziek, ruim twee uur in de wachtkamer van mijnheer doktoor vertoefde. Ik negeerde de gedachte aan de medepatiënt die net naar het toilet was gespurt met het vliegend schijt en hoopte terzelfdertijd uit de grond van mijn hart dat hij zijn handen grondig gewassen had, als ik ontdekte dat hij, na zijn terugkeer, net een boekje doorbladerde dat ik nog diende door te nemen om up to date te blijven in roddelland, zij het met enige maanden vertraging.

Af en toe ontsponnen er zich, aheum, interessante gesprekken in de wachtzaal. Willens nillens vernam ik welke vervelende kwaaltjes de anderen teisterden of gelaten aanhoorde ik de actueelste dorpsroddels.  Ik spitste echter mijn oren, als het mijnheer doktoor himself betrof. Hij is immers nogal een controversieel figuur: je moet hem of je moet hem niet. Punt. Ik behoor tot de eerste categorie.  Hij heeft nogal een apart gevoel voor humor, humor met een zwart kantje, dat gezien de aard van zijn job niet door iedereen geapprecieerd kan worden.  Ik herinner me dat ik als kind bij hem kwam met een vervelende schimmelinfectie tussen mijn teentjes, vermoedelijk opgedaan tijdens het schoolzwemmen.  “Die zullen we moeten afzetten,” wees hij  met twinkelende ogen naar mijn tenen. Of als je ergens een bobbeltje had. ” ’t Zal wel kanker zijn,” was dan zijn eerste verdict. Vooral dergelijke uitspraken stuitten nogal veel mensen tegen de borst.  Toch zat zijn wachtkammer altijd en immer barstensvol.  Hij had -euh ‘heeft’ nog steeds eigenlijk – immers ook de reputatie om bedreven te zijn in het stellen van de juiste diagnose, geen onbelangrijke kunde in zijn stiel.
Bovendien nam hij steeds voldoende tijd voor zijn patiënten, ongeacht de wachtrij. Dit werd hem door de wachtenden niet altijd in dank afgenomen.  Zo ook niet door Jaak, een vettig dorpsfiguur, die zich mateloos ergerde toen hij wel héél lang tijd nam voor een patiënte. “Dat dùùrt nogal!” kloeg Jaak. “Maar ik heb het wel gezien. Mijnheer doktoor heeft blijkbaar ook geen stront in zijn ogen.  Dat was een ongelooflijk lekker ding dat daar bij hem binnen stapte.  ‘k Kan goed begrijpen dat het zolang duurt.  Hij wil ze niet alleen aan de binnenkant onderzoeken, maar ook aan de buitenkant.  En wij maar wachten….”  Een aantal wachtenden, waaronder ikzelf, begonnen onwillekeurig te gniffelen bij deze uitspraak.  Niet zo zeer omwille van de inhoud, maar vooral omwille van de sappige manier waarop de mottigaard het vertelde.  Mocht ik mijnheer doktoor niet beter kennen, ik zou er met beide voeten intrappen.

Toevallig kwam ik Jaak enkele weken later tegen in een warenhuis. “Seg, weet je nog die keer bij de dokter?” begon hij.  Ik knikte een beetje ongemakkelijk.  “Weet je wat hij tegen mij zei, toen ik binnenkwam?” vervolgde hij onverstoorbaar. “Hij zei: zet je neer, LELIJKE BEEST! Het zal  niet lang duren bij jou.  Geen denken aan dat ik JOU binnenstebuiten keer.”

“Allez nu,” zegt Jaak.  “Ik maakte toch maar een grapje in de wachtzaal.  Wie zou er gebletsjt* hebben?”
“Geen flauw idee, Jaak” en plots realiseerde ik me, al dan niet toevallig, dat ik mijn portefeuille op het dashbord van de auto had laten liggen. Snel maakte ik me uit de voeten…

Grz

Joke

* Limburgs dialect voor ‘geklikt’

puffen en ‘m nijpen

29 Dec

Met twee tieners in huis is sexualiteit tegenwoordig een populair thema.  Zelfs tussen de soep en de patatten.  “Pieter heeft straf gekregen”, glundert onze oudste. “Hij had ‘tentsletje’ op het bord geschreven.” verklaart ze nader, vooraleer ik de kans krijg om een woordje uitleg te vragen. “En omdat hij niet goed kon uitleggen wat dat woord betekent, moet hij het tegen de volgende keer opzoeken.” Dat beschouwt zij dus als ‘straf’. Verder krijg ik nog te horen dat de les biologie over de menselijke voortplanting handelde en dat iedereen op het bord woorden mocht schrijven, die betrekking hebben op dergelijke betrekkingen.

Nu moet je weten, beste bloglezer, dat mijn oudste dochter het enige meisje is in een klas van veertien.  Alle emancipatie ten spijt heb je nog steeds typische meisjesrichtingen en typische jongensrichtingen.  Onze dochter heeft gekozen voor de tweede soort, een technische, overigens heel creatieve richting, hout en bouw.  Ons etiketjeskind stelt het heel goed in deze klas.  Toen ik na de eerste schooldag de klassamenstelling vernam, was ik er zelf niet zo gerust in.  Maar ‘k mag geen appelen met peren vergelijken.  Op dit vlak viel de appel immers mijlenver van de boom.  Zelf was ik eerder een meisje voor een typische meisjesrichting.  Onze dochter is alleszins heel content omdat ze eindelijk van het flauwe truttengedoe en het geniepig gepest van sommige meisjes verlost is.

Ze weet zich goed te handhaven bij haar jongens, zélfs tijdens de voortplantingsles. Al valt het verschil tussen haar en de rest, vooral dan, heel erg op.  Niet in het minst in haar taalgebruik. In de associatieoefening schrijft mijn dochter braafjes op het bord: maandstonden, eisprong, baarmoeder…  De jongens hebben echter een liederlijker taalgebruik, variërend van tentsletje, natte droom en neuken tot ‘ik wil contact met geslachtsorganen’.  Slechts één mannelijk hormonenvatje is resultaatsgericht en noteert ‘baby’.  “Er was zelfs iemand die peffen en pijpen schreef”, gaat onze schrijnwerker in spé sensatiebelust verder, in de veronderstelling dat ik door zo een uitspraak wel uit mijn pijp zal komen. En inderdaad.  Het heeft effect, maar niet het beoogde. Vanaf mijn eerste lachnoot heeft ze door dat ze ergens de bal heeft misgeslagen.  Uiteraard wil ze weten waar, maar ik vind het niet nodig om de vocabulaire van onze jongste, die met rode oortjes meeluistert, aan te scherpen, dus laat ik haar nog even in het ongewisse.

” ’t is niet peffen en pijpen, maar beffen en pijpen”, corrigeer ik, als we even later samen in de auto zitten op weg naar haar sportclub. “En werd er ook uitgelegd wat dat betekent?” “Ja”, en ik krijg een correcte, doch nogal simplistische uitleg. “Allee nu”, vervolgt ze “Waarom doet een man zoiets? Weet die dan niet dat  het niet de schaamlippen zijn die moeten gelikt  worden?  Trouwens wat heeft dàt nu met voortplanting te maken?” Er volgt een korte stilte. “Heb ik gelijk of heb ik gelijk?” besluit ze zelfzeker. “Je hebt gelijk”, beaam ik opgelucht en ondertussen denk ik er het mijne over.

Ik ben al lang blij dat ik zelf geen uitleg hoef te verschaffen over ‘peffen en pijpen’. Stel je voor! Ik zou…

… zie titel
Grz

Joke

PS ‘k Durf wedden dat je bent gaan kijken wat de titel ook al weer was.

in de sacoche

28 Dec

Niets heb ik met handtassen.  Helemaal niets.  Op dat vlak ben ik een a-typische vrouw.  Het heeft zelfs ééuwen geduurd vooraleer ik me zo een ding aanschafte. ‘k Zag er echt het nut niet van in.  Veel makkelijker vond ik het om beroep te doen op de sacoche van mijn vriendin, dat knappe designermeisje uit hét ontmoetingsverhaal. Ze had smaak, veel smaak, toch qua kledij en mannen, maar helemaal niet qua sacochen.  In de tijd dat we samen op stap gingen had ze een zwart blinkend laklederen exemplaar met zo een typische krokodillenprint.  Afschuwelijk!  Maar wel praktisch.  Het was een aktentasmodel, je kon er een halve bibliotheek in kwijt.  Geen reden voor mij om mezelf een handtas aan te schaffen, in de hare was plaats genoeg.  In het begin, als ik iets nodig had wat ik er zelf had ingestopt, vroeg ik, voor de vorm, of ik even in haar tas mocht snuffelen. Maar na verloop van tijd zat ik onaangekondigd meer in haar tas te rommelen dan zijzelf.

Op ons vertrouwde uitgaansplekje leerde mijn vriendin een jongen kennen, a good looking guy met smaak, veel smaak en oog, veel oog, vooral voor het designermeisje. Na enkele maanden besloten ze eens af te spreken zonder chaperonne Joke.  Ze gingen samen naar de film, gezellig onder hun tweetjes, dat was althans zijn bedoeling.  Hij schrok zich een hoedje toen hij ontdekte dat zijn toekomstig liefje niet alleen was.  Aan haar arm hield ze… een hyperkitscherige, gigantische sacoche. “Waarom heb je Joke haar handtas bij?” stamelde hij lichtjes ontdaan, toen hij van de eerste choque bekomen was. “Dat is Joke haar handtas niet. Da’s de mijne.” Hij keek haar aan alsof ze net verkondigd had dat ze seropositief was of dat ze onder haar kleren een ‘lullig’ lichaamsdeel verborg. Haar simpele verklaring had het droombeeld dat hij van haar had bruut aan diggelen geslagen.  Wat een afknapper! Gelukkig was hij niet zo onverbiddelijk als het merendeel van de vrouwen die abrupt afhaken op witte sportsokken of ‘aromatische’ okselvijvers.  Op hun tweede date (in werkelijkheid veel later, maar voor het verhaal klinkt dit nu eenmaal beter) had hij een geschenkje bij voor haar: een matzwarte gladlederen handtas in een gestileerd design, volledig conform haar en zijn look.

De tortelduifjes gingen minder en minder met hun chaperonne op stap.  Ik begreep dat wel en zocht niet alleen ander gezelschap op, maar ook een andere sacoche.  Straffer nog, ik overwon mezelf in kwadraat en kocht er zelf ééntje.  Een sportief model, type mini-boekentas, met vier ritsjes, twee gespen, een handvat en een lange riem.  Tof, niet al te sjakosjerig van uitzicht en vooral heel functioneel. Naast deze kastanjebruine schafte ik enkele jaren later zelfs een tweede exemplaar aan, een zwarte deze keer, driehoekig, ietsjes gestileerder, zodat ik al eens kon afwisselen naargelang mijn look.  Toch werd ik geen sacochenmadam, als het enigszins kon liet ik dat ding gewoon thuis. Alleen in mijn vrouwelijkste week van de maand nam ik mijn kabas noodzakelijkerwijs mee op sleeptouw. Het merendeel van de tijd kreeg ze echter onverdiend huisarrest, zo kon ik ze ook nergens vergeten.

Niet geruisloos gleden de jaren voorbij.  Ons leven nam immers enkele fundamentele wendingen, samenwonen, trouwen, verhuizen, kinderen krijgen, verhuizen en… verhuizen. Je leest het goed, beste bloglezer, er staat liefst drie maal verhuizen. Door al deze migraties was mijn kastanjebruine handtas in een onbekende vergetelhoek beland, maar ik miste ze niet.  Ook niet toen mijn man een telefoontje kreeg vanuit een warenhuis in een naburige gemeente.  Ze belden om te melden dat ik mijn sacoche daar had laten liggen, ik kon ze afhalen aan de helpdesc. Ik kwam er slechts af en toe, maximaal zes keer per jaar.  Toevallig was ik er die week net geweest, dus stelde ik me er verder geen vragen bij. “Welke kleur?” vroeg het winkelmeisje me, toen ze de reden van mijn bezoek vernam. “Neen, een zwarte ligt hier niet”, antwoordde ze op mijn repliek.  Eerst viel er een korte stilte…en vervolgens ene frank… en nog ene.  Om te beginnen besefte ik dat ik mijn zwarte driehoek niet eens had meegehad die week.  Dus…  “Is het misschien een kastanjebruine?”, vroeg ik ongelovig. “Die ben ik al jàààren kwijt.”  En inderdaad, daar kwam mijn handtas tevoorschijn.

Al die jaren had ze opgesloten gezeten in een pikdonker lockertje, trouw wachtend op haar nonchalante baasje.  In het betreffende warenhuis waren camouflerende handtassen immers niet toegelaten.  Mijn portefeuille had ik eruit gehaald om te kunnen betalen, maar de lederen verpakking was ik simpelweg vergeten.  Op een gegeven ogenblik had de puntelijke gerant laten nagaan welke lockertjes permanent gesloten bleven en deze werden onverbiddelijk opengebroken om hun geheime inhoud te onthullen.  Zo zag mijn eerste handtas na ongeveer drie jaar eindelijk terug het daglicht.  Haar maaginhoud was nagenoeg leeg, op een stoffen kinderzakdoek en een inentingskaartje na. Op dit kaartje stond mijn meisjesnaam, geboortedatum en de naam van mijn huisarts, maar mijn adres ontbrak.  Door zijn beroepsgeheim te verbreken zette mijn dokter de speurders echter op het juiste spoor.  Zijn deontologische ontsporing daarentegen nam ik hem niet kwalijk.

Net zo min werd mij kwalijk genomen dat ik het sleuteltje niet meer vond, er werd zelfs niet naar gevraagd.  Een half jaar later ontdekte ik nochtans een sleutel van een lockertje in mijn sacoche.  Vrijwel onmiddellijk realiseerde ik me dat ik een maand eerder weer zo’n kastje gebruikt had. Deze keer echter niet om mijn handtas te bewaren – inmiddels wist ik uiteraard beter – maar wel ‘de fricadon op grootmoederswijze’ die ik bij een concurrerend warenhuis had gekocht.

Wijselijk ben ik niet gaan kijken naar de gruwelijke opening, maar ik durf wedden dat de krioelende beestjes, die zich in oma’s vleesje hadden ontwikkeld, hun oogjes smartelijk dichtknepen toen ze voor het eerst het scherpe daglicht aanschouwden.

Hoe zou het echter met de maaginhoud van hun onfortuinlijke bevrijders gesteld zijn?

gebrek aan sexuele opvoeding? the next generation

27 Dec

Vier jaar geleden…

Onze oudste dochter, negen jaar,  kan de slaap niet vatten en staat plotsklaps voor onze neus in de living.  Op TV geeft Goedele Liekens een Engelstalige lezing in een aula vol Chinezen. Onze dochter vlijdt zich tegen haar vader aan.  Met het ene oor luisteren we naar haar slaapperikelen en met het andere naar de provoceergrage sexuologe.  Het kind zelf heeft geen interesse voor wat de voormalige miss te vertellen heeft en dat is ook de reden waarom we het niet nodig vinden om haar weg te zappen.  Dat verandert als Goedele  haar lezing wil visualiseren en er plotsklaps compromitterende beelden verschijnen op het scherm achter haar. Alsof ik door een wesp gestoken ben, veer ik recht op zoek naar de afstandsbediening.  Mijn man, die dat ding gewoontegetrouw in zijn rechterhand houdt, blijft onbewogen. “Zet ‘m eens om”, commandeer ik hem kortaf.  Hij kijkt me beduusd aan, maar bougeert geen millimeter. “Allez”, val ik redelijk heftig in herhaling, “ZET HEM OM!”  Als hij dan nog niet reageert, begin ik te roepen en te tieren totdat hij eindelijk doet wat ik hem opdraag.  Zodra onze dochter terug in haar bed ligt, krijg ik een gigantische preek over mijn overdreven reactie.  Kort samengevat: als ik sexualiteit uit de taboesfeer wil houden, moet ik stoppen om me in dergelijke situaties zo hysterisch te gedragen.  Het brave kind had immers niet eens iets in de gaten, ze ziet alleen een moeder die zonder reden over haar toeren is.  Mijn man heeft gelijk, ik beloof mijn best te doen.  Ik zit gevangen in het harnas van mijn eigen opvoeding. Het wordt tijd dat ik me bevrijd.

Drie jaar geleden…

Schijnbaar zonder enige aanleiding vraagt diezelfde dochter me waarvoor maandverband dient.  Een ultieme kans om mijn harnas af te gooien. Uiteraard doet me dit terugdenken aan mijn eigen beschamende onwetendheid van ruim twintig jaar geleden. Desondanks probeer  ik haar eerst af te  wimpelen.  Ze blijft echter aandringen. Ik antwoord kort.   Nochtans ben ik verbaal sterk genoeg, maar mijn opvoeding snoert me de mond.  Ik beloof er later uitgebreider op terug te komen. Als ik mij op dit gesprek heb kunnen voorbereiden, maar dat vertel ik er wijselijk niet bij. Een week later is het zover.  Een moeder-dochter moment.  Eerst geef ik haar de wetenschappelijke uitleg over de maandelijkse bloedvloed. “En welke kleur heeft dat bloed dan?”  Ik kijk haar verbaasd aan. “Hoe bedoel je, je weet toch welke kleur bloed heeft.  Rood natuurlijk.”  Ik zie haar even aarzelend nadenken en dan begrijp ik waarom ze het vraagt.  “Ah ja”, zeg ik haar, “nu begrijp ik het.  Je hebt gemerkt dat er de laatste tijd in je slipje iets wit zit.  Maar dat is het niet, dat is gewoon een teken dat je lichaam zich aan het voorbereiden is.  Ik verwacht eigenlijk dat het bij jou niet meer zo heel lang zal duren vooraleer je ongesteld wordt.” “Oh”, repliceert ze, “ik dacht al dat er bij mij een soort van filter tussen zat.”  Ik schiet in een lach.  Typisch een opmerking voor haar. Achter alles zoekt ze een technische verklaring.

“Weet je eigenlijk wat sex is?”, ga ik verder.  Ze schudt haar hoofd. “De kinderen op school zeggen dat sex vies ik, maar ik zeg dan dat dat niet waar is.”  Ze beseft niet half hoe opgelucht ik ben door deze uitspraak. Blijkbaar heb ik het dan toch voldoende uit de taboesfeer kunnen houden. “Je hebt gelijk, sex is niet vies, het is iets heel moois als mensen van elkaar houden.”  Ik leg haar ‘the facts of life’ uit en haar verbazing is oprecht.  Ze komt compleet uit de lucht gevallen.  Ik vind haar non-verbale reactie aandoenlijk en ben des te blijer dat ik het haar zelf heb kunnen vertellen. “Moet je daar dan je broek voor uitdoen?”, vraagt ze nieuwsgierig.  Ik glimlach.  “Ja, meisje, met je broek aan zal het niet lukken.  Maar juist daarom is dat ook iets wat je niet met om het even wie doet.  Je doet het alleen met iemand die je al een tijdje kent en vertrouwt.” Ze knikt instemmend.
“Ik vind het toch wat raars. Doet dat dan geen pijn?”, wil ze verder nog weten.  “Neen, integendeel, het is heel prettig. De eerste keer kan het wel een beetje pijn doen”, en ik geef haar nog wat uitleg over het maagdenvlies. “Dus dat is dan zoiets gelijk een tube verf, die je voor de eerste keer gebruikt.”, vergelijkt ze. “Dan moet je met het pinnetje, dat in de achterkant van het dopje zit, het velletje doorprikken.”  “Inderdaad”, zeg ik. “Zo kan je het wel een beetje vergelijken.  “Weet je”, herhaal ik, “daarom vind ik het zo belangrijk dat je dat doet met iemand die je heel graag ziet en al een tijdje kent, zodat er veel vertrouwen is.”

Kwezel, dat ik ben, denk ik bij mezelf.  Ik lijk wel een kopie van mijn ouders, zo mijn eigen waarden en normen opdringen. Mijn ouders vonden het indertijd heel belangrijk dat een meisje maagd bleef tot aan haar huwelijk. Daar heb ik zelf mooi mijn botten aan geveegd.  Nu wil ik echter dat mijn dochters later enkel sex hebben met iemand die ze liefhebben en vertrouwen, bij voorkeur pas als ze meerderjarig zijn. Is dat eigenlijk nog wel van deze tijd? Is het verkeerd om verschillende partners uit te proberen, puur voor het genot en om ervaring op te doen?  Mijn ouders vonden het sletterig om sex te hebben voor het huwelijk en ik gaf hen ongelijk.  Maar wat als mijn dochters mijn principes ook hopeloos ouderwets en belachelijk vinden?

“Als dat zo zit”, besluit mijn dochter, “dan wacht ik zeker tot ik getrouwd ben.”

Voorlopig nog geen reden om me ongerust te maken, lijkt me. Oef!

mijn gemis aan sexuele opvoeding

26 Dec

Opvoeden. Zowat iedereen doet het, maar slechts weinigen zijn ervoor opgeleid.  Vreemd eigenlijk, dat zo’n belangrijke levenstaak geen deel uitmaakt van het basispakket in het onderwijs.  Van wie leer je het dan? Veelal van je eigen opvoeders, je ouders dus.  Ook al ben je er, als jongeling, van overtuigd dat jij het later heel anders – lees ‘veel beter’ – zal aanpakken.  Eénmaal als je dan zelf kinderen hebt, ga je dat weer relativeren en kom je tot de conclusie dat je ouders het er eigenlijk nog niet zo slecht van hebben afgebracht. Ook de mijne niet.  Al zijn ze op één vlak schromelijk tekort geschoten, nl. mijn sexuele opvoeding.  Als ik hiervoor op hen had moeten wachten, dan was ik nu nog steeds een maagd, ééntje met twee kinderen weliswaar. Een herhaling van de bijbelse geschiedenis?

Ach, ik kan mijn ouders niets verwijten, uiteraard zijn zij eveneens ‘kinderen’ van hun opvoeding. Anderzijds is dat misschien net wél een reden om het hen kwalijk te nemen.  Ze keuren het zelf niet goed dat ze volledig in het ongewisse werden gelaten, maar bewandelen simpelweg  hetzelfde a-seksuele pad als het hun eigen kinderen aangaat.  Als ze seksualiteit uit de taboesfeer hadden gehouden, hadden ze me niet alleen een gênante situatie bespaard, maar me ook met heel wat minder onnodige schuldgevoelens opgezadeld.  Op dit laatste kom ik misschien later nog wel eens een keertje terug. 

Mijn lagere schooltijd heb ik doorgebracht op een katholieke meisjesschool.  Als ik beschrijf hoe het eraan toeging, geloof je nauwelijks dat ik de veertig nog niet gepasseerd ben. Het lijkt immers een tafereel van minstens een halve eeuw geleden.  Om te beginnen mag je die ‘meisjes’school heel letterlijk nemen. Geen jongens te bespeuren dus, die zaten uiteraard op de jongensschool. Aan het hoofd van onze school stond ‘zuster directrice’. Alhoewel ze me nooit een strobreed in de weg heeft gelegd, had ik een panische schrik van dat mens. Ze straalde gezag uit op een negatieve manier.  Als ze de klas betrad vlogen een twintigtal meisjes recht uit hun bank en riepen vervolgens mechanisch in koor ‘Da-g, zus-ter di-rec-trice!’.  Bij de begijn kregen we enkel les van vrouwelijke leerkrachten.  Wellicht vonden zij het ook jammer dat er geen enkele meester te bespeuren viel.  De leerlingen van de meisjesschool vielen vooral op door hun schooluniform.  Geen plooienrokje met wit hemdje en blauwe pull, neen, wij droegen een lichtblauwe, hopeloos ouderwetse, omaschort met lange mouwen.  Ondanks deze gedateerde omkadering werd er wel seksuele opvoeding gegeven op onze school, in het vijfde leerjaar.  Behalve uiteraard in het jaar dat ik daar zat en… de juffrouw van het zesde ‘vergat’ het ook.  De leerlingen waren echter te braaf om ernaar te vragen.

Ook ik vroeg niets. Of toch wel.  Een babypop. Na wat zeuren en zagen kreeg ik er ééntje op 6 december toen ik in het zesde leerjaar zat.   Uiteraard wist ik toen wél al wie sinterklaas was – zo erg was het nog net niet met mij gesteld – maar het was nog steeds een mysterie hoe hij aan die baby kwam.  Op een dag kreeg ik op de schoolbus onverwachts de uitleg op mijn ongestelde vraag aan de hand van een onnozel kindermopje: Een man en vrouw liggen in bed. De man wijst naar de borsten van zijn vrouw en vraagt wat dat is.  “Dat zijn mijn koplampen” antwoordt de vrouw en “Dat is mijn oerwoud” is haar repliek op de tweede lager gelegen vraag.  Het pietje van de man heet uiteraard ‘Tarzan’ en dan zie je de clou al van mijlenver afkomen. Alhoewel… destijds had ik er absoluut het raden naar. Plotsklaps zegt de man : “hè vrouw, doe je koplampen eens aan, ik geloof dat mijne Tarzan in uw oerwoud zit.”  “Zo worden de kindjes gemaakt,” zei de moppentapper triomfantelijk.  Lichtjes gechoqueerd stapte ik van de bus.

Het spreekt voor zich dat ik thuis in alle talen zweeg over deze pas verworven informatie, waardoor mijn kennis wel heel erg basic bleef… Dat besefte ik pas toen ik samen met een schoolvriendinnetje naar de bibliotheek fietste.  Mijn boeken had ik in een wit plastieken zakske gestoken.  In de bibliotheek haalde ik mijn vijf boeken tevoorschijn, maar er bleek nog een ‘verrassing’ in het zakje te zitten. Ik nam het eruit en vol verbazing bekeek ik het vreemde ding, dat – zo bleek achteraf – mijn zus toebehoorde. Tussen wijsvingers en duimen hield ik beide uiteinden van een wit rechthoekig voorwerp vast om het beter te kunnen bestuderen.  Ik had er echter geen flauw benul van van wat het was.  Ik draaide het om en bemerkte aan de achtergrond een grote kleefstrook.  “Wat is dit voor iets?” vroeg ik aan mijn vriendin, niet beseffend dat ik verondersteld werd het voorwerp te kennen.  Het deed me wat denken aan een soort verband.  Mijn vriendin lag in een deuk van het lachen om mijn domme vraag en ik…

…kwam er met scha en schande achter dat het voorwerp effectief bestemd was voor een snee. En wat voor één!