het bewijs dat Jezus echt bestaat of toch doet alsof

30 Nov

Mijn ouders zijn brave katholieke mensen en mijn schoonouders ook.  Mijn moeder is enige dochter, ze heeft vijf broers. Haar moeder, mijn grootmoeder dus, had veel hulp van haar in het huishouden, dus hield zij haar ver weg van potentiële huwelijkskandidaten. Toch slaagde mama erin om op haar vijfentwintigste mijn vader te ontmoeten. Drie jaar later huwden ze, beiden nog ongerept.  Exact negen maanden en twee weken later werd mijn oudste broer geboren.  Twee kwatongen, wellicht verbitterde oude vrijsters, in het geboortedorp van mijn moeder, fluisterden dat het ‘van moetens’ was.  Twee dagen aan één stuk heeft mijn moeder gehuild.  De geheel onterechte twijfel over haar maagdelijke status had haar diep gekwetst. Wij zijn thuis met vier kinderen en hebben een traditionele christelijke opvoeding genoten.  Geen van ons gevieren is ooit rebels geweest, zelfs ik niet.  Iedere week gingen we gehoorzaam en zonder enige vorm van protest mee naar de mis.  Heeft het niet gebaat?  Het heeft alleszins ook niet geschaad (denk ik).  We hebben dit volgehouden tot aan onze hogere studies, die vanaf dan onze afwezigheid rechtvaardigden. Mijn man komt, voorzover mogelijk, uit nog een grotere katholieke nest.  Soort zoek soort, zegt men. Op het moment dat ik hem leerde kennen, ik was 22 en hij 28, ging hij  nog steeds iedere week keurig naar de kerk.  Dat daarna steevast een cafébezoek volgde, was geen bezwaar.

Mijn oudste broer, 8 jaar ouder dan ik ben, leerde een deugdzame vrouw kennen. Op een mooie zomerdag vroeg hij permissie aan mijn vader om samen met haar een weekje te gaan kamperen.  Hij was toen 27, zijn lief, inmiddels zijn echtgenote, twee jaar jonger.  Mijn vader vond dit niet zo een goed idee en vroeg hem wat hij zou doen, mocht hij geen toestemming krijgen. “Dan ga ik toch,” antwoordde mijn broer moedig. “Tja, waarom vraag je het dan?,” repliceerde mijn vader.  Daar bleef het bij.  Het koppeltje vertrok zonder de zegen van mijn ouders, maar gelukkig ook zonder ruzie.  Ze zouden een weekje achterblijven. Het kleine peugeotje werd volgestouwd met allerlei kampeermateriaal.  Amper 3 dagen later kwamen ze vervroegd terug van hun avontuur.  Hun uitje was wel meegevallen, maar inbrekers hadden het op de handtas van mijn schoonzus gemunt. Ze had die nonchalant en zichtbaar in de auto laten rondslingeren.  Resultaat, een ingeslagen autoraam en einde vakantie. Op enige vorm van medeleven kon het koppeltje niet rekenen.  “Jezeke  straft,” concludeerde mijn vader volgens een oude zegswijze. Ik wist niet dat Jezus over dezelfde almachtige gaven beschikte als zijn Vader? Was dit zijn vervolg op de 10 plagen van Egypte?

Zoals iedere jongste in een gezin plukte ik de vruchten van de zeer bescheiden strijd die mijn voorgangers hadden geleverd. Toen het dus mijn beurt was om te gaan kamperen met mijn lief, inmiddels mijn echtgenoot, vond ik het niet nodig om mijn ouders hun goedkeuring te vragen.  Maar ik was wel zo  fatsoenlijk om hen op de hoogte te brengen van onze vakantieplannen. “Hoezo?, jij vraagt dat niet eens,” reageerde mijn vader, verwijzend naar mijn broer. “Neen,” antwoordde ik kordaat, “zelfs als ik niet mag,  ga ik toch!”  Einde conversatie.  Ik werd niet tegengehouden.  Mijn moeder wuifde me zelfs uit, al kon ze het niet nalaten om erbij te zeggen dat ik ‘stout’ was. Waarom mijn ouders erop tegen waren?  Wie zal het zeggen…  Wellicht hadden ze schrik dat ik mijn maagdelijkheid zou verliezen.  Hoefde niet, het ‘kwaad’ was eerder al geschied, doch deze informatie onthield ik hen wijselijk.  Ik moet toegeven dat een weekje met weinig bla bla en veel boem boem me wel aansprak. Tenslotte kregen mijn vriend en ik weinig privacy. Bovendien is een knus tentje toch ietwat comfortabeler dan een ongerieflijke auto.

Tof was dat, wij met z’n tweetjes in de Ardennen.  Overdag genieten van de natuur en ’s avonds natúúrlijk genieten van elkaar.  Voor zolang het sprookje duurde…  Halverweg onze vakantie maakte we een lange wandeling door de open velden.  De stralende zon scheen met volle kracht op onze onbedekte hoofden. Op zoek naar een plekje schaduw om romantisch te picknicken ontdekten we tot onze verrassing een grote boom in een weide.  Rond de oude boom lagen dikke keien en er stroomde een klein beekje langs. Een idyllisch plekje dus.  Er liepen zo te zien geen dieren, koeien noch stieren, ook al was het grasland afgemaakt met prikkeldraad. Het kostte ons weinig moeite om tot daar te geraken en we installeerden ons op onze comfortabele steenstoelen.  Ik had nog maar net verklaard hoe gezellig ik dit vond of ik vlóóg recht uit mijn geïmproviseerde stoel.  In open veld en  zonder nadenken, trok ik, zo snel ik kon, mijn short en slipje af.  Dikke bosmieren hadden zich blijkbaar nogal bedreigd gevoeld in hun habitat en injecteerden me met hun venijnige mierenzuur.  Zéér dat dat deed!  Ondanks de komische situatie had mijn lief oprecht medelijden met me.  Zeker toen hij de gigantische rode bulten zag op mijn ronde witte mikken.

Die avond verzorgde hij liefdevol mijn ontsierde billen met anti-jeukzalf. Terwijl we in ons tentje lagen te keuvelen, meende ik plots voetstappen te horen…  Ineens kreeg ik de vreemde gedachte dat het mijn vader was om te vertellen dat ‘Jezeke straft’.  Deze illusie verdween echter even snel als dat ze opgekomen was, maar liet me helaas niet meer los.  Zodoende bleven die nacht twee konijntjes in de ardennen op non-actief!
Was deze tweede plaag een ongelukkig toeval of levert dit het ultieme bewijs dat Jezus, en God dus ook, écht bestaat?  Wellicht het eerste!

Het is GODVERDOMME moeilijk  om uit dat katholieke keurslijf te geraken.  Al jaren probeer ik  om  me eruit te wringen, maar de veters zitten te strak gespannen. Toch heb ik in de loop der jaren al heel wat meer ademruimte gekregen. De verontwaardiging over de pedofielschandalen in de kerk,  geeft me extra kracht om me verder los te wurmen.   Het korset volledig afgooien durf ik echter niet.  Blijkbaar heb ik tóch een tikkeltje steun nodig van een vertrouwd iets. Heb ik eigenlijk een keurslijf nodig? Of is er een alternatief dat evenveel of zelfs meer houvast biedt? Ga ik schuldgevoelens krijgen als ik me definitief van dat (on)ding ontdoe?  En waarom krijg ik die schuldgevoelens dan? Talrijke vragen zonder antwoord…  Ik zit vastgeroest in een bepaald denkpatroon, zo een beetje zoals de gevangenen in de grot van Plato.  Te braaf, te volgzaam, te behoudsgezind, te onzeker om de ketens af te werpen…

Weet je waarom ik het geloof, of liever een geloof, niet volledig afzweer?  De idee dat er ná dit wereldlijke leven niets is, het absolute niets, kan ik absolúút niet verdragen.
Ik hoop alleen dat ik die mier nóóit meer tegenkom.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: