Archief | gênante situaties RSS feed for this section

over gênante aandoeningen en valse beschuldigingen

26 feb

Bijna was ik vergeten dat ik nog een vraag moest stellen en ook bijna welke deze zou zijn, zó banaal is ze.  Maar ik zal er geen doekjes om winden, ik ga het niet mooier verwoorden dan het is en ik zal ze niet in schrijftaal formuleren, maar gewoon platweg in spreektaal.  Dat is tenslotte toch nog de meest klare taal.  Beste bloglezer, hier komt mijn persoonlijke vraag, waarop ik eigenlijk geen antwoord behoef.  Ik heb dit nochtans heel duidelijk gemaakt in de vorige tekst, maar blijkbaar lees je daar makkelijk overheen aan de reacties te zien…… Lieve lezer… heb je al gekakt vandaag? Awel, ik ook en ik heb er zelfs geen traantje bij hoeven te plengen.  Ongeveer 14 jaar geleden was dit geheel anders.  Ik was voor de eerste keer zwanger en liet me ijzerpillen aansmeren door de gynaecoloog.  Vanaf toen liep er echter niets meer gesmeerd.  Ik raakte zodanig geconstipeerd dat ik op den duur telkens wenend op de plee belandde, als ik weer eens moest. Zo zeer deed dat.  Uiteindelijk bezocht ik ten einde raad mijn huisarts in de hoop dat hij me van mijn kakongemak zou kunnen verlossen.

Daar lag ik dan, op de onderzoekstafel, in een onflatterende positie.  Ik gebood mijn dokter om enkel te kijken en zeker niet te voelen, want dan zou het niet alleen mijn, maar vooral zijn beste dag niet zijn. Mijnheer doktoor stelde zich deze keer zeer empathisch op, waardoor het letterlijk pijnlijk duidelijk werd dat dit een ernstige zaak was. “Ik neem aan dat ik speen heb”, diagnosticeerde ik mezelf. “Ik wou dat ik dàt kon zeggen”, antwoordde mijnheer Doktoor “maar dit is veel ernstiger.  Je hebt een ‘prolapsus ani’.  Zes jaar heb ik de Latijnse gedaan om desondanks niet te weten wat hij bedoelde.  Ik moet hem nogal dom aangekeken hebben want hij legde me nogal simplistisch uit dat ik mijn darm deels had uitgekakt. “Dit is niet goed”, zei hij “je moet kost wat kost vermijden dat dit erger wordt”.  En om zijn stelling kracht bij te zetten nam mijn arts, die zijn macaber gevoel voor humor herwonnen had, een medische encyclopedie van zijn boekenrek en liet me foto’s van achterwerken zien waarop menig baviaan jaloers zou zijn.

Ik moest slikken en wendde mijn hoofd af. “Om zulke taferelen te vermijden moet je de uitstulping naar binnen duwen”, grapte mijn dokter. Althans dat dacht ik, maar het bleek geen grap te zijn, doch pure horror.  Mijnheer doktoor  was bloedserieus.  Hij gaf me nog enkele tips over hoe ik dit moest aanpakken en toen ik zijn praktijk verliet kon hij het toch weer niet nalaten om te zeggen dat ik het alleszins ‘goed in de gaten’ moest houden.

Ik maakte dankbaar gebruik van onze ouderwetse bidet, waarover wij beschikten in onze vorige woning.  Het water zou de pijn verzachten, volgens mijnheer doktoor.  De pijnmildering was zo goed als nihil. Doch veel erger was het feit dat ik niet slaagde in mijn missie.  Telkens als ik dacht terrein gewonnen te hebben, floepte de bloemkoolachtige uitstulping terug naar buiten.  Weeral ten einde raad riep ik deze keer de hulp van mijn wederhelft in.  Ik schonk hem mijn volledige vertrouwen en vroeg hem om de weke uitpuiling langzaam terug te duwen.  Zoals ik van hem kon verwachten deed  hij dit heel voorzichtig, volgde mijn instructies – even stoppen, doe maar verder  - nauwgezet op, maar vanaf het moment dat zijn vinger loste, gleden de rozige knobbels terug naar buiten. Niet alleen uit pijn, maar vooral uit radeloosheid eindigde dit opnieuw in een eindeloos tranendal van mijnentwege en dit deed mijn man, op zijn beurt ten einde raad, naar de telefoon grijpen.

Mijnheer doktoor arriveerde nog geen kwartier later en schrok zichtbaar van het behuilde hoopje ellende dat hij aantrof. Hij luisterde naar mijn verhaal en concludeerde vervolgens dat hij me medicatie zou voorschrijven om me uit mijn lijden te verlossen. De medicatie zou zorgen voor ontzwelling, volstrekt onschadelijk zijn voor de baby en op korte termijn werken.  ”Waarom hebt u dat deze voormiddag dan niet voorgeschreven?”, reageerde ik lichtjes verbolgen. “Tja, als je tanden op je gat had gehad, dan had je me gebeten.  Ik wist niet dat het zo erg was en dat je er zo zwaar tilde. We hebben er samen nog om kunnen lachen.” Van mijn kant nogal groen ja, maar blijkbaar is hij kleurenblind. Vervolgens wendde hij zich tot mijn man en sprak hem vermanend toe. “En jij moet er rekening mee houden dat je vrouw zwanger is.  Veel vrouwen hebben dan minder behoefte aan sex, zeker als hun buik in de weg zit, maar dat betekent daarom niet dat je haar anaal moet benaderen!” Mijn man en ik keken elkaar verbouwereerd aan. “Dokter, nu moet u eens goed naar mij luisteren”, schoot mijn partner vervolgens in de verdediging “aan die kant ben ik nooit geweest en die behoefte zal ik ook nooit hebben.”  De dokter keek naar mij, zag mij bevestigend knikken en verliet vervolgens niet geheel overtuigd onze woning.

“Wat denkt die kerel wel niet van mij”, reageerde mijn partner verontwaardigd toen mijnheer doktoor de deur uit was.  En vervolgens schoten we samen in een lach omdat we desondanks de humor van de situatie konden inzien.

Enkele dagen later hoefde ik niet meer te huilen tijdens het kakken en werd dit terug een banaal feit. Beste bloglezer, neem het van mij aan, dergelijke banaliteit blijft best een banaliteit en vergeet vooral de B niet!

in de sacoche

28 dec

Niets heb ik met handtassen.  Helemaal niets.  Op dat vlak ben ik een a-typische vrouw.  Het heeft zelfs ééuwen geduurd vooraleer ik me zo een ding aanschafte. ‘k Zag er echt het nut niet van in.  Veel makkelijker vond ik het om beroep te doen op de sacoche van mijn vriendin, dat knappe designermeisje uit hét ontmoetingsverhaal. Ze had smaak, veel smaak, toch qua kledij en mannen, maar helemaal niet qua sacochen.  In de tijd dat we samen op stap gingen had ze een zwart blinkend laklederen exemplaar met zo een typische krokodillenprint.  Afschuwelijk!  Maar wel praktisch.  Het was een aktentasmodel, je kon er een halve bibliotheek in kwijt.  Geen reden voor mij om mezelf een handtas aan te schaffen, in de hare was plaats genoeg.  In het begin, als ik iets nodig had wat ik er zelf had ingestopt, vroeg ik, voor de vorm, of ik even in haar tas mocht snuffelen. Maar na verloop van tijd zat ik onaangekondigd meer in haar tas te rommelen dan zijzelf.

Op ons vertrouwde uitgaansplekje leerde mijn vriendin een jongen kennen, a good looking guy met smaak, veel smaak en oog, veel oog, vooral voor het designermeisje. Na enkele maanden besloten ze eens af te spreken zonder chaperonne Joke.  Ze gingen samen naar de film, gezellig onder hun tweetjes, dat was althans zijn bedoeling.  Hij schrok zich een hoedje toen hij ontdekte dat zijn toekomstig liefje niet alleen was.  Aan haar arm hield ze… een hyperkitscherige, gigantische sacoche. “Waarom heb je Joke haar handtas bij?” stamelde hij lichtjes ontdaan, toen hij van de eerste choque bekomen was. “Dat is Joke haar handtas niet. Da’s de mijne.” Hij keek haar aan alsof ze net verkondigd had dat ze seropositief was of dat ze onder haar kleren een ‘lullig’ lichaamsdeel verborg. Haar simpele verklaring had het droombeeld dat hij van haar had bruut aan diggelen geslagen.  Wat een afknapper! Gelukkig was hij niet zo onverbiddelijk als het merendeel van de vrouwen die abrupt afhaken op witte sportsokken of ‘aromatische’ okselvijvers.  Op hun tweede date (in werkelijkheid veel later, maar voor het verhaal klinkt dit nu eenmaal beter) had hij een geschenkje bij voor haar: een matzwarte gladlederen handtas in een gestileerd design, volledig conform haar en zijn look.

De tortelduifjes gingen minder en minder met hun chaperonne op stap.  Ik begreep dat wel en zocht niet alleen ander gezelschap op, maar ook een andere sacoche.  Straffer nog, ik overwon mezelf in kwadraat en kocht er zelf ééntje.  Een sportief model, type mini-boekentas, met vier ritsjes, twee gespen, een handvat en een lange riem.  Tof, niet al te sjakosjerig van uitzicht en vooral heel functioneel. Naast deze kastanjebruine schafte ik enkele jaren later zelfs een tweede exemplaar aan, een zwarte deze keer, driehoekig, ietsjes gestileerder, zodat ik al eens kon afwisselen naargelang mijn look.  Toch werd ik geen sacochenmadam, als het enigszins kon liet ik dat ding gewoon thuis. Alleen in mijn vrouwelijkste week van de maand nam ik mijn kabas noodzakelijkerwijs mee op sleeptouw. Het merendeel van de tijd kreeg ze echter onverdiend huisarrest, zo kon ik ze ook nergens vergeten.

Niet geruisloos gleden de jaren voorbij.  Ons leven nam immers enkele fundamentele wendingen, samenwonen, trouwen, verhuizen, kinderen krijgen, verhuizen en… verhuizen. Je leest het goed, beste bloglezer, er staat liefst drie maal verhuizen. Door al deze migraties was mijn kastanjebruine handtas in een onbekende vergetelhoek beland, maar ik miste ze niet.  Ook niet toen mijn man een telefoontje kreeg vanuit een warenhuis in een naburige gemeente.  Ze belden om te melden dat ik mijn sacoche daar had laten liggen, ik kon ze afhalen aan de helpdesc. Ik kwam er slechts af en toe, maximaal zes keer per jaar.  Toevallig was ik er die week net geweest, dus stelde ik me er verder geen vragen bij. “Welke kleur?” vroeg het winkelmeisje me, toen ze de reden van mijn bezoek vernam. “Neen, een zwarte ligt hier niet”, antwoordde ze op mijn repliek.  Eerst viel er een korte stilte…en vervolgens ene frank… en nog ene.  Om te beginnen besefte ik dat ik mijn zwarte driehoek niet eens had meegehad die week.  Dus…  “Is het misschien een kastanjebruine?”, vroeg ik ongelovig. “Die ben ik al jàààren kwijt.”  En inderdaad, daar kwam mijn handtas tevoorschijn.

Al die jaren had ze opgesloten gezeten in een pikdonker lockertje, trouw wachtend op haar nonchalante baasje.  In het betreffende warenhuis waren camouflerende handtassen immers niet toegelaten.  Mijn portefeuille had ik eruit gehaald om te kunnen betalen, maar de lederen verpakking was ik simpelweg vergeten.  Op een gegeven ogenblik had de puntelijke gerant laten nagaan welke lockertjes permanent gesloten bleven en deze werden onverbiddelijk opengebroken om hun geheime inhoud te onthullen.  Zo zag mijn eerste handtas na ongeveer drie jaar eindelijk terug het daglicht.  Haar maaginhoud was nagenoeg leeg, op een stoffen kinderzakdoek en een inentingskaartje na. Op dit kaartje stond mijn meisjesnaam, geboortedatum en de naam van mijn huisarts, maar mijn adres ontbrak.  Door zijn beroepsgeheim te verbreken zette mijn dokter de speurders echter op het juiste spoor.  Zijn deontologische ontsporing daarentegen nam ik hem niet kwalijk.

Net zo min werd mij kwalijk genomen dat ik het sleuteltje niet meer vond, er werd zelfs niet naar gevraagd.  Een half jaar later ontdekte ik nochtans een sleutel van een lockertje in mijn sacoche.  Vrijwel onmiddellijk realiseerde ik me dat ik een maand eerder weer zo’n kastje gebruikt had. Deze keer echter niet om mijn handtas te bewaren – inmiddels wist ik uiteraard beter – maar wel ‘de fricadon op grootmoederswijze’ die ik bij een concurrerend warenhuis had gekocht.

Wijselijk ben ik niet gaan kijken naar de gruwelijke opening, maar ik durf wedden dat de krioelende beestjes, die zich in oma’s vleesje hadden ontwikkeld, hun oogjes smartelijk dichtknepen toen ze voor het eerst het scherpe daglicht aanschouwden.

Hoe zou het echter met de maaginhoud van hun onfortuinlijke bevrijders gesteld zijn?

mijn gemis aan sexuele opvoeding

26 dec

Opvoeden. Zowat iedereen doet het, maar slechts weinigen zijn ervoor opgeleid.  Vreemd eigenlijk, dat zo’n belangrijke levenstaak geen deel uitmaakt van het basispakket in het onderwijs.  Van wie leer je het dan? Veelal van je eigen opvoeders, je ouders dus.  Ook al ben je er, als jongeling, van overtuigd dat jij het later heel anders – lees ‘veel beter’ – zal aanpakken.  Eénmaal als je dan zelf kinderen hebt, ga je dat weer relativeren en kom je tot de conclusie dat je ouders het er eigenlijk nog niet zo slecht van hebben afgebracht. Ook de mijne niet.  Al zijn ze op één vlak schromelijk tekort geschoten, nl. mijn sexuele opvoeding.  Als ik hiervoor op hen had moeten wachten, dan was ik nu nog steeds een maagd, ééntje met twee kinderen weliswaar. Een herhaling van de bijbelse geschiedenis?

Ach, ik kan mijn ouders niets verwijten, uiteraard zijn zij eveneens ‘kinderen’ van hun opvoeding. Anderzijds is dat misschien net wél een reden om het hen kwalijk te nemen.  Ze keuren het zelf niet goed dat ze volledig in het ongewisse werden gelaten, maar bewandelen simpelweg  hetzelfde a-seksuele pad als het hun eigen kinderen aangaat.  Als ze seksualiteit uit de taboesfeer hadden gehouden, hadden ze me niet alleen een gênante situatie bespaard, maar me ook met heel wat minder onnodige schuldgevoelens opgezadeld.  Op dit laatste kom ik misschien later nog wel eens een keertje terug. 

Mijn lagere schooltijd heb ik doorgebracht op een katholieke meisjesschool.  Als ik beschrijf hoe het eraan toeging, geloof je nauwelijks dat ik de veertig nog niet gepasseerd ben. Het lijkt immers een tafereel van minstens een halve eeuw geleden.  Om te beginnen mag je die ‘meisjes’school heel letterlijk nemen. Geen jongens te bespeuren dus, die zaten uiteraard op de jongensschool. Aan het hoofd van onze school stond ‘zuster directrice’. Alhoewel ze me nooit een strobreed in de weg heeft gelegd, had ik een panische schrik van dat mens. Ze straalde gezag uit op een negatieve manier.  Als ze de klas betrad vlogen een twintigtal meisjes recht uit hun bank en riepen vervolgens mechanisch in koor ‘Da-g, zus-ter di-rec-trice!’.  Bij de begijn kregen we enkel les van vrouwelijke leerkrachten.  Wellicht vonden zij het ook jammer dat er geen enkele meester te bespeuren viel.  De leerlingen van de meisjesschool vielen vooral op door hun schooluniform.  Geen plooienrokje met wit hemdje en blauwe pull, neen, wij droegen een lichtblauwe, hopeloos ouderwetse, omaschort met lange mouwen.  Ondanks deze gedateerde omkadering werd er wel seksuele opvoeding gegeven op onze school, in het vijfde leerjaar.  Behalve uiteraard in het jaar dat ik daar zat en… de juffrouw van het zesde ‘vergat’ het ook.  De leerlingen waren echter te braaf om ernaar te vragen.

Ook ik vroeg niets. Of toch wel.  Een babypop. Na wat zeuren en zagen kreeg ik er ééntje op 6 december toen ik in het zesde leerjaar zat.   Uiteraard wist ik toen wél al wie sinterklaas was – zo erg was het nog net niet met mij gesteld – maar het was nog steeds een mysterie hoe hij aan die baby kwam.  Op een dag kreeg ik op de schoolbus onverwachts de uitleg op mijn ongestelde vraag aan de hand van een onnozel kindermopje: Een man en vrouw liggen in bed. De man wijst naar de borsten van zijn vrouw en vraagt wat dat is.  “Dat zijn mijn koplampen” antwoordt de vrouw en “Dat is mijn oerwoud” is haar repliek op de tweede lager gelegen vraag.  Het pietje van de man heet uiteraard ‘Tarzan’ en dan zie je de clou al van mijlenver afkomen. Alhoewel… destijds had ik er absoluut het raden naar. Plotsklaps zegt de man : “hè vrouw, doe je koplampen eens aan, ik geloof dat mijne Tarzan in uw oerwoud zit.”  “Zo worden de kindjes gemaakt,” zei de moppentapper triomfantelijk.  Lichtjes gechoqueerd stapte ik van de bus.

Het spreekt voor zich dat ik thuis in alle talen zweeg over deze pas verworven informatie, waardoor mijn kennis wel heel erg basic bleef… Dat besefte ik pas toen ik samen met een schoolvriendinnetje naar de bibliotheek fietste.  Mijn boeken had ik in een wit plastieken zakske gestoken.  In de bibliotheek haalde ik mijn vijf boeken tevoorschijn, maar er bleek nog een ‘verrassing’ in het zakje te zitten. Ik nam het eruit en vol verbazing bekeek ik het vreemde ding, dat – zo bleek achteraf – mijn zus toebehoorde. Tussen wijsvingers en duimen hield ik beide uiteinden van een wit rechthoekig voorwerp vast om het beter te kunnen bestuderen.  Ik had er echter geen flauw benul van van wat het was.  Ik draaide het om en bemerkte aan de achtergrond een grote kleefstrook.  “Wat is dit voor iets?” vroeg ik aan mijn vriendin, niet beseffend dat ik verondersteld werd het voorwerp te kennen.  Het deed me wat denken aan een soort verband.  Mijn vriendin lag in een deuk van het lachen om mijn domme vraag en ik…

…kwam er met scha en schande achter dat het voorwerp effectief bestemd was voor een snee. En wat voor één!

waarom ik bijna in de grond kroop van schaamte

25 dec

Wie al mijn schrijfsels gelezen heeft, weet dat ik niet zo verzot ben op GSM’s.  Ik stond dus niet te juichen toen ik op mijn werk zo’n communicatieprul cadeau kreeg, ten dienste van het werk uiteraard, maar gelukkig enkel tijdens de werkuren. Ik beschouw het meer als een blok aan mijn been, als een ONnoodzakelijk kwaad, dat helaas enkele gênante situaties opleverde.

Toegegeven, het ding had ook zijn nut.  Die keer toch, toen ik ‘s avonds samen met een stagiaire op huisbezoek trok.  Het was haar eerste stagedag en ik liet meteen al een verpletterende ‘goede’ indruk na.  In het donker vond ik onze bestemming niet, er leek geen logica te zitten in de opeenvolging van de huisnummers.  Mensen met een slecht karakter kunnen dit ook aan mijn ‘goed’ oriëntatievermogen wijten. Ik bleef echter niet bij te pakken zitten en besloot de cliënt te bellen om mij de juiste richting uit te wijzen.  Tot driemaal toe drukte ik de pincode van mijn mobieltje in en lap… het ding was geblokkeerd.  Gênant hoor, als dit in het bijzijn van een leerling gebeurt!  Eerst sloeg ik het aanbod van mijn behulpzame stagiare om haar toestel te gebruiken gegeneerd af. Ten lange leste heb ik het dan toch maar met hangende pootjes aanvaard, want mijn privétoestel had ik – typisch voor mij – natuurlijk niet bij.  Die dag werd het alleszins pijnlijk duidelijk dat ikzelf ook nog  heel wat bij te leren had. Mijn stagiaire kreeg alvast een tien op tien voor respect (ook voor de zwakkeren uit onze maatschappij, zijnde de GSM-analfabeten) en voor discretie.

‘s Anderendaags werd ik met een nieuw probleem geconfronteerd.  Na drie foute pogingen moet je immers de pukcode intikken om dat vervloekte ding terug aan de praat te krijgen.  Volgens mijn baas had ik deze in een klein mapje meegekregen bij de overhandiging van het toestel.  Deze keer deed mijn slordigheid me de das om. Waar had ik dat in hemelsnaam gelaten?  Na een intensieve zoektocht, die toch wel wat kostbare arbeidstijd vergde, kwam  het kleinood gelukkig te voorschijn.  Dit zal mij alleszins geen tien op tien opleveren bij mijn volgende evaluatie.

De pukcode bleek echter geen soelaas te bieden. Gelukkig was er een ringringring*winkel in de buurt.  In volle overtuiging dat zo’n GSM écht wel rommel is, begon ik ter plaatse heel verontwaardigd mijn probleem uit de doeken te doen.  De geduldige man aanhoorde gelaten mijn betoog en stelde vervolgens slechts één simpele, doch cruciale, vraag. “Mevrouw, u hebt toch wel het toestel bij dat bij die pukcode hoort?”  Even keek ik hem verbaasd en terzelfdertijd verward aan.  Terwijl ik twijfelend “natuurlijk” stamelde, draaide ik het onding om om mijn gelijk aan te tonen.  Op de achterzijde was immers het telefoonnummer gekleefd, als geheugensteuntje en ook om alle werktoestellen van elkaar te kunnen onderscheiden. Echter… de achterkant was egaal glad.  Zo rood als een pioen kon ik nog net uitbrengen dat ik inderdaad het verkeerde toestel bijhad.  Haastig verontschuldigde ik me voor het oponthoud om vervolgens met de staart tussen de benen af te druipen.

Dat ik mijn eigen toestel – dat na nadere inspectie duidelijk verschillend was van het werktoestel – niet herkend had, hoefde de brave ringringring*man niet te weten.  Dit was echter wel een item dat ik voor mijn collega’s moeilijk verborgen kon houden.  Totaal van de kaart door mijn eigen lompigheid en zenuwachtig giechelend, kon ik slechts één zin uitbrengen, toen mijn baas me vragend aankeek.

“Waar kan ik hier ergens in de grond kruipen van schaamte?”.

Grz
Joke
*verklaring ‘ringringring’: vervangwoord voor Belgacom.  Ik weiger gratis reclame te maken voor hen!

hoe oorverdovend een stilte kan zijn

19 dec

Welk heteroseksueel meisje droomt er niet van een grote, aantrekkelijke, lieve jongen als toekomstige partner? Ruim twintig jaar geleden was ik hierop geen uitzondering.  Na wat heen en weergefladder ontmoette ik mijn droomprins, maar helaas… de meeste dromen zijn bedrog.

Ik werd immers stapelverliefd op een onaantrekkelijke, grove maar lieve karakterkop.  Toen ik hem voor de eerste keer ontmoette, had ik slechts zelden zo’n onaantrekkelijke gast gezien en toch werd hij enkele maanden later mijn lief. Wellicht was ik overrompeld door de tonnen aandacht die ik van hem kreeg.  Na verloop van tijd keek ik figuurlijk, en helaas ook bijna letterlijk, over zijn kleine gedrongen lijf heen. Ik slaagde er wonderwel in om zijn gigantische reukorgaan met dito poriën te negeren en als ik hem kuste, proefde ik de lelijke vorm van zijn gevleugelde lippen niet. Eigenlijk had ik alleen maar oog voor de schittering in zijn varkensoogskes.

Op een zondagnamiddag, zo’n twintigtal jaar geleden, zou mijn lief komen kennismaken met mijn ouders.  Traditiegetrouw is zondag bij ons taartendag.  Een rijkelijk gevulde tafel met allerlei Limburgse ‘vlaaien’, zoals wij dat noemen.  Met of zonder calorierijke slag- of pasteibakkersroom, met heerlijke kruimel-, vettige schilfer- of verse gistdeeg oftewel zelfgebakken appel- citroen of marmercake,… kortom keuze te over.  In die tijd was het ook de gewoonte om van alles wat geproefd te hebben.  Een geplogendheid die ik inmiddels al geruime tijd afgeleerd heb, zo niet kon je me inmiddels wel rollen. Misschien verbeeldde ik het me slechts, maar ik zag mijn moeder lichtjes schrikken toen mijn tweeogige ongebochelde Quasimodo binnenkwam.  Later, toen onze relatie al geruime tijd verbroken was en zeker niet meer te lijmen, bekende ze me dat ze enorm verschoten was van zijn onmiskenbare lelijke verschijning.  Ze had immers verwacht dat haar niet-onaardige dochter toch iemand knapper zou kunnen strikken.  Niettemin onthaalde ze hem hartelijk, zoals dat in onze contreien nu eenmaal gebruikelijk is.

Op mijn moeders verzoek gingen we met z’n allen aan tafel en mijn Quasimodo’tje dus ook.  Voor hem was het even wennen, als enig kind belanden in zo’n familiedrukte.  Mijn moeder voelde zijn ongemak en om hem gerust te stellen zei ze vriendelijk, terwijl ze gastvrij naar de taarten wees: “Pak maar uit, hoor, anders word je nóóit groot!”  Een zeer ongelukkige uitspraak, als je bedenkt dat hij écht wel klein van gestalte was.  Hij beweerde nochtans enkele centimetertjes groter te zijn dan ik – ik ben zelf net geen 1m65 – maar dat heb ik nooit geloofd.  Mijn schouders staken boven de zijne uit, al moet ik toegeven dat zijn grove karakterkop veel groter was dan mijn hoofd, wat natuurlijk niets zegt over de inhoud.  Na deze uitspraak, waarbij het woordje ‘groot’ echogewijs leek na te galmen, volgde er een oorverdovende stilte, wat het des te pijnlijker maakte. Mijn Quasimodo deed echter net, zoals de echte, alsof hij doof was en nam een lekker stukje taart en vervolgens nog eentje en dan een stukje cake.

Enkele jaren later was de liefde tussen ons uitgebloeid, vooral van zijnentwege.   Toen mijn lfdv voorbij was, nam ik me stellig voor om me de volgende keer toch meer uit mijn doppen te kijken.  Mijn volgende vriend moest duidelijk groter zijn dan ik en niet zo lelijk als zijn voorganger. Peace of cake! Liefdesverdriet omwille van een Quasimodo, dat nooit meer!

Exact 5 jaar later lag er een schattig klein meisje met grote prachtige kijkers in de wieg.  Nu ze groter is, lijkt ze sprekend op mij, maar ik ben minstens even trots op haar jongere zusje, waarvan velen beweren dat ze net haar vader is.

Grz
Joke
PS1  Aan Quasimodo (mocht hij dit toevallig lezen): je bent maar half zo lelijk als hier beschreven, hoor. Toch ben ik reuzeblij dat mijn kinderen geen varkensoogskes hebben!

één van mijn favoriete bezigheden

18 dec

Wist je al, beste bloglezer, dat ik één van mijn favoriete bezigheden dagelijks uitvoer, zonder zelfs één nachtje over te slaan?  Meer nog, ik heb er zelfs niet altijd het comfort van een bed voor nodig en mijn echtgenoot ook niet.    We doen het gewoon te pas en te onpas. Je raadt het natuurlijk al, mijn man en ik zijn échte slaapkoppen.  ‘t Is voornamelijk de te-onpas-situaties die ik nader wil toelichten.  Mocht ik dat voor de eerste mogelijkheid van plan zijn, is de kans immers groot dat je er, al lezend, bij in slaap valt.

Soms vind ik het eerder storend, mijn alledaagse hobby.  Het lijkt wel alsof ik geconditioneerd ben om te maffen vanaf het ogenblik dat ik me vier- of meerwielig op de baan begeef.  Als passagier, welteverstaan.  Veertien jaar geleden gingen we op huwelijksreis naar het romantische eiland Madeira.  Met de autobus verkenden we er de oost- en de westkust.  Dat was althans de bedoeling.  Terwijl sommigen met moeite hun maaginhoud binnenskamers konden houden, slaagde ik er niet in om mijn blik langer dan vijftien minuten naar buiten te werpen. Zelfs niet toen een jongetje, onbestand tegen de vele haarspeldbochten, de hele bus onderkotste.  Ik ontwaakte pas toen mijn man mij aanporde om de rugzak, die tussen mijn voeten geparkeerd stond, op te tillen om het onsmakelijke goedje dat door de bus dreef te ontwijken.  Bij iedere uitkijkpost schoot ik wakker door het gestommel in de bus. Slaapdronken stapte ik mee uit om van de prachtige vergezichten te genieten.  Iedere keer opnieuw maakte ik me het voornemen om geen uiltje meer te knappen, maar telkens opnieuw kreeg ik, na ongeveer een kwartiertje, een slag van de hamer. Romantisch gezelschap kan je me bezwaarlijk noemen.

Echter, mijn man kan er ook wat van.  Onlangs gingen we uit voor schoenen, voor onze dochters en mezelf.  Manlief mocht mee om te ‘helpen’ kiezen.  In de grote schoenenwinkel was er een wachttijd van drie kwartier.  Gelukkig kregen we al vlug een comfortabele zetel ter onzer beschikking. Binnen een redelijke termijn had de deskundige verkoopster beide dochters van het nodige schoeisel voorzien.  ‘Dat waren alvast de gemakkelijkste en de moeilijkste klant,’ waarschuwde ik haar. ‘Nu alleen nog de kieskeurigste.’  De verkoopster bleef onbewogen onder deze onheilspellende boodschap. ‘Dat zijn mooie schoenen,’ wees mijn man in de richting van een paar benenbrekers. Ik haastte me om de verkoopster in te lichten dat een hakje wel mag, maar dat er grenzen zijn aan mijn steltloopcapaciteiten.  Tevens benadrukte ik dat voor mij toch vooral het draagcomfort primeert. Wijselijk gaf mijn man de strijd op en nestelde zich terug in de zetel. Inmiddels kon het passen beginnen. Te smal, te plat, te klassiek, te…te…te…  Het kan niet anders of ik bezorgde de verkoopster grijze haren, maar ze liet niets blijken. Mmmmm… deze misschien?  Ik draaide me om naar mijn man om hem toch minstens de illusie te geven dat zijn mening ertoe deed.  Toen de verkoopster mijn echtgenoot in de smiezen kreeg, viel ze even uit haar professionele rol.  Mijnheer lag immers met lichtjes geopende mond zachtjes te knorren.  Professioneel als ze was, beperkte de verkoopster zich  tot wat onderdrukt gegiechel en wreef ze me niet onder mijn neus dat mijn getreuzel en getwijfel onmiskenbaar slaapverwekkend waren.  Prompt stopte ik met wikken en wegen.  Ik griste het laatste paar schoenen, bedankte de verkoopster voor haar hulp en wekte vervolgens zachtjes mijn man.  Nu was het immers zijn beurt…aan de kassa.

Af en toe doen mijn man en ik aan ‘betaald’ slapen.  Niet bewust, het overkomt ons gewoon. Vooral toen de kinderen klein waren, hadden we er een handje van weg.  Bij een pittige animatiefilm zoals Nemo of Ratatouille, viel het nog wel mee.  Maar als het verhaal wat meliger van aard was, zoals een film over de Winx-club, voelden we onze aandacht gaandeweg verslappen.  Geleidelijkaan creëerden we onze eigen film in dromenland waaraan sumultaan met de échte eindgeneriek een einde kwam. Geen nabeschouwing voor ons.  Alleen uit de enthousiaste kinderverhaaltjes konden we opmaken wat we allemaal ‘gemist’ hadden.  Vonden we niet zo erg, alleen zielig om te zien was de teleurstelling in de blik van onze jongste, omdat we, compleet onbegrijpbaar voor haar, de allerbeste film allertijden aan onze neus, euh ogen, hadden laten voorbijgaan.  ‘k Ben benieuwd of zij later, als moeder, eveneens de bioscoopuitbaters slapend rijk zal maken.

Toch hoeft het er niet altijd zachtjes aan toe te gaan om me in slaap te wiegen.  Als ik echt moe ben, kan ik het overal.  Nog niet zo lang geleden gingen we naar het dansoptreden van ons huppeltutje.  Hierdoor was mijn traditionele zondagnamiddagdutje in het gedrang gekomen. Maar… ik hield me sterk!  Ik heb geen seconde van haar performance gemist.  Het helse tromgeroffel van de plaatselijke sambaband die daarna optrad, had echter een hoogstmerkwaardig slaapverwekkend effect op me.  Dit tot groot jolijt van de mensen rondom me.  Doordat ik hun lachende ogen op mijn gezicht voelde priemen,  kwam ik terug bij bewustzijn.  Of lag het aan de flits van het fototoestel?

Gelukkig zijn er ook momenten en plaatsen waar het me nooit overkomt.  Zo ben ik nog nooit in slaap gevallen als we visite hebben (wat mijn man niet kan zeggen), tijdens het liefdesspel (uiteraard exclusief het naspel én wat mijn man gelukkig wél kan zeggen), op mijn werk (ondanks mijn ambtenarenstatuut zal ik nooit slapend rijk worden, bij nader inzien: ondanks mijn ambtenarenstatuut zal ik ook niet-slapend nooit slapend rijk worden), achter het stuur (alhoewel, één poging heb ik ooit ondernomen, gelukkig is het goed afgelopen dankzij mijn wakkere partner/medepassagier), en mocht ik het ooit ernstig overwegen… (wat hoogstonwaarschijnlijk is, gezien mijn brave imago). Hopelijk overkomt het me ook nooit tijdens…het plaatsen van een tatoeage!

mijn fratsen op het werk

10 dec

Tot mijn scha en schande moet ik bekennen dat ik voor mijn fratsen op het werk haast een aparte blog kan beginnen.  Twee blogs beheren is echter wat veel van het goede, dus breng ik het gewoon onder in deze.  Ik hoop van harte dat mijn werkgever niet meeleest en dank mijn sympathieke collega die me, zonder er erg in te hebben, de titel van dit verhaaltje cadeau deed, helemaal gratis en voor niks. Dit even terzijde.

Sommige mensen hebben onzichtbare antennes.  Voelsprieten die enthousiast beginnen te trillen zodra blijkt dat er ergens iets te rapen valt.  Eerst lopen ze met het hele gezin vijf rondjes langs alle hapjesstanden in de colruyt om stiekem gratis te dineren om vervolgens met listig verkregen vrijkaarten één of andere voorstelling te bezoeken.  Hun schaamteloze gedrag vertaalt zich tevens in een eentonig woordgebruik.  Gratis, kosteloos, voor niks, gratis en voor niks… behoren tot hun standaardvocabulaire.  Ze kunnen geen tien zinnen achter elkaar uitspreken zonder één van deze woorden erin te verwerken.  Hun gratuite gedrag kleurt bovendien ook hun persoonlijke beleving.  Als iets voor niets is, is het per definitie goed. Een gegeven paard… enzovoort.

Gratis is plezant, ook voor mij, doch ik probeer er niet in te overdrijven. Toch heb ik me een aantal jaren geleden eveneens bezondigd aan enig opportunisme, al was het in mijn geval volkomen gerechtvaardigd.  Ik was immers op zoek naar een geschikte huisbezoekentas.  Zoiets aktentasachtigs, maar dan niet te chique.  Tenslotte werk ik als maatschappelijk assistente bij een OCMW en niet als vertegenwoordigster in een commercieel bedrijf, waar zulke details mee het uithangbord van de firma bepalen. Puur toevallig viel uitgerekend in die periode een uitgebreide reclamebrochure van Test-Aankoop in onze brievenbus.  De sierlijke letters G, R, A, T, I, en S verfraaiden de voorkant. Veelal belanden zulke omslagen ongeopend in onze papiermand. Om een onverklaarbare reden nam ik deze keer wel een kijkje.

Test-Aankoop bood gratis een proefabonnement van drie maanden aan.  Wat echter meer mijn aandacht trok was de lederen, geen namaak!, aktentas waarmee ze je zouden belonen als je op hun aanbod inging.  Aanvankelijk dacht ik dat je die pas zou ontvangen als je effectief een jaarabonnement nam, doch dat bleek niet het geval te zijn, het proefabonnement volstond. Vermits Test-Aankoop er prat op gaat de consument te beschermen tegen malifide verkoopspraktijken, nam ik aan dat ik met hen in zee kon gaan, zonder het risico te lopen om achteraf te verdrinken in agressieve aanmaningen van dubieuze incassobureaus.  Zodra ik de aktentas in mijn bezit had, zegde ik beleefd, aangetekend en just in time mijn proefabonnement op.  Met de talrijke smeekfolders die daarna mijn brievenbus vulden, stak ik ongegeneerd de stoof aan.

Mijn kosteloze tas had de ideale maten om een dossier in te vervoeren, was voorzien van praktische vakjes en bevatte bovendien een gratis assorti zakrekenmachine en een gratis met leder omhulde agenda.  Het enige minpuntje was de lelijke strontkleur – gelukkig zonder assorti geur  – en het feit dat er, volgens een bevriend schoenlapper, geen denkbaar dier voor gevild was. Toch namaak dus. Maar, zoals eerder werd aangehaald, als iets voor niets is, is het per definitie goed. Het spreekwoord over het dotatiedier met vier benen – een kleine doordenker – was ook voor mij van toepassing.

Oei, ik merk dat ik nogal aan het afwijken ben van de essentie van dit verhaal.  Ach, een beetje sfeerschepping mag wel, nietwaar? Op  zekere dag ontving ik tijdens het spreekuur in mijn kantoor een nieuwe cliënt met financiële problemen. De man bezorgde me echter vanaf het begin een onhaaglijk gevoel.  Waaraan dit lag, weet ik niet.  Had het met zijn ongure uiterlijk te maken, wie zal het zeggen? Ik ben alleszins niet bereid om hier een gedetailleerde beschrijving te geven. Beroepsgeheim, weetjewel. Om een dossier te kunnen aanmaken, vroeg ik hem zijn identiteitskaart.  Ik maakte er een kopie van en toen ik terug in mijn kantoor kwam – het kopieermachine staat immers elders – zag ik mijn aktentas naast zijn stoel staan.  Niet dat ik hem ervan verdacht deze verplaatst te hebben.  Helemaal niet, ik weet het aan mijn eigen nonchalantie.  Zonder iets te zeggen, nam ik de tas op en zette ze achteloos achter mij neer. Je kan immers niet voorzichtig genoeg zijn…

Het gesprek kabbelde rustig verder en ik vernam dat hij een crimineel verleden had.  Niet echt bevordelijk voor mijn gemoedsrust, moet ik toegeven.  Tja, ik ben ook maar een mens, hè.  Op een gegeven ogenblik sprak hij over onbetaalde rekeningen.  Ik stelde voor om een nieuwe afspraak te maken om die te bekijken en om dan samen naar een oplossing te zoeken.  Hij gaf aan dat hij ze reeds meegebracht had en ik verzocht hem om ze me te laten zien.  Blijkbaar had hij ze niet bij de hand, want hij maakte aanstalten om ze te gaan halen.  Ik ging ervan uit dat hij ze in de auto had laten liggen.  Doch in plaats van het kantoor te verlaten, kwam hij mijn richting uit.  Ik schrok. Het ging echter zo snel dat ik geen tijd had om bang te worden.  Ik realiseerde me wel dat ik geen kant uit kon, mocht hij me kwaad willen doen.

Zo ver naderde hij echter niet.  Hij reikte naar de aktentas achter me en plots zag ik wat ik uitgevreten had.  Achter me bevond zich een grote doos. Boven op deze doos prijkte mijn aktentas van namaakleer en een bruine strontkleur.  Vlak ervoor pronkte echter nog een aktentas, eveneens van namaakleer en met dezelfde bruine strontkleur. Een kloon van de mijne. Het was deze tweede waarnaar de creepy man greep.  Nochtans had hij niet gereageerd toen ik ongevraagd zijn tas verzette.  Blijkbaar was zijn vertrouwen in mij veel groter dan dat van mij in hem.

Ik schoot in een zenuwachtig lachje en verontschuldigde me vervolgens overdreven uitgebreid.  Dit onnozel incidentje had zonder meer het ijs gebroken.    Als hulpverlener moet je je natuurlijke sympathieën en antipathieën aan de kant kunnen schuiven en iedere cliënt met dezelfde professionaliteit benaderen. Ik durf echter gerust toegeven dat dit toch wat makkelijker lukt als het klikt, ook al is het slechts een klein klakje.

Hoe het afliep met mijn tas?  Niet goed.  Neen, niet omwille van mijn domme vergissing.  Maar als ik ze mee op huisbezoek nam, vond ik dat ik oogde zoals een getuige van Jehova. Dus, om verdere misverstanden te vermijden…
…stuurde ik ze terug naar Test-Aankoop! (it’s is a…)

Joke

waarom ik bijna naar de andere kant van België verhuisde

8 dec

Het menselijke brein is tot veel in staat, tot héél veel zelfs, ook dat van mij.  In mijn geheugen had ik een bepaalde gebeurtenis volledig uitgewist, en door één simpele handeling kwam ze terug aan de oppervlakte, als verwijderde vulpenstreken die na verloop van tijd opnieuw door de tintenkiller heen schemeren.  Alhoewel? Ik druk me helemaal verkeerd uit.  Het betrof geen simpele handeling, althans niet voor mij. Ik heb immers mijn kleerkast uitgemest.  En laat nu opruimen mijn allerallerzwakste vaardigheid zijn en dat is dan nog op zijn allerallerzachtst uitgedrukt. Echter, af en toe a woman ‘s got to do what a woman ‘s got to do.  Destijds wou ik absoluut geen inloopkast. Als je in zo een dressing kruipt, moet je mooie rechte stapeltjes kunnen maken om te vermijden dat je bedolven wordt onder de kleren als je te dicht langs de schappen strijkt.  Nogal wiedes dus, dat ik een ouderwetse kleerkast heb, met stevige deuren die mijn slordige hoopjes netjes verbergen, doch die inmiddels zó volgestouwd is dat een drastische uitdunning van de inhoud zich opdrong.

In mijn kleerkast vind je een allegaartje van kleren.  Ik hou zowel van natuurstoffen, vooral linnen, in aardentintenkleuren, als van synthetische stoffen in felle kleurtjes, pastel daarentegen is minder mijn ding.  Ik hou van rokjes en kleedjes, niet te kort wegens kromme benen, en van broeken, niet te laag in de taille wegens een zichtbaar zwangerschapsrestant, van nonchalant, wegens mijn aard, en van chique, naargelang de gelegenheid… meer toch van nonchalant, van peperduur, wegens exclusief, en van spotgoedkoop, wegens spotgoedkoop. Ik heb geen Trien en Suzan nodig om me te zeggen wat me flatteert en wat niet.  Toch kan ik de professionele hulp van een ongeveinsd eerlijke verkoopster wel waarderen. Ook mijn man geeft graag stijladvies, al pakt hij het zelden subtiel aan.  Menig verkoopster heeft me al een glas louterend spawater willen aanbieden om, naar de gelijknamige reclame, in zijn gezicht te flatsen. Meestal geef ik er dus de voorkeur aan om alleen te gaan shoppen.

Waarbij mijn echtgenoot me wel mag, neen moet, helpen is de finishing touch als ik me aankleed.  Wat dat betreft bezigen wij een omgekeerd rollenpatroon.  Ik ben niet degene die zijn das (die hij trouwens nooit draagt) netjes moet knopen, noch dien ik witte pellekens van zijn schouder te vegen of zijn schoenen te poetsen.  Omgekeerd heb ik wel assistentie nodig, zelfs al vanaf mijn ondergoed.  Mijn BH-bandjes zitten nagenoeg altijd verdraaid, mijn borsten lijken er somtijds vanonder of vanboven uit te willen muizen.  Mijn man zorgt ervoor dat alles netjes in de verpakking blijft zitten en dat de lintjes perfect aangespannen zijn. Ook met mijn bovenkledij heb ik een gigantisch probleem.  Vooral als ik gehaast ben, wat nogal vaak voorvalt, weet ik zelden welke knoop met welk knoopsgat accordeert.  Mijn kraag zit naar binnen geplooid en/of mijn broekspijpen naar buiten.  Mijn hulpvaardige echtgenoot waakt erover dat ik steeds fatsoenlijk voor de dag kom.  Dat ik géén hulp nodig heb bij het uitkleden, lijkt hij - vreemd genoeg - niet altijd even goed te begrijpen.

Bij het uitmesten van mijn kleerkast kwam ik een stijlvolle lange linnen jurk van Sarah Pacini tegen. Zo’n tijdloos geval.  Ik weet niet goed wanneer ik ’m gekocht heb, misschien zelfs al in de vorige eeuw, maar het blijft draagbaar spul. Het is een eenvoudig ontwerp, dus makkelijk om aan te doen.  Sarah Pacini ontwerpt ook kleren waarbij je, ik althans, een handleiding nodig hebt om te weten hoe je ze moet dragen.  Deze jurk was dus niet zo.  Alleen… kreeg ik de ritssluiting op de rug niet alleen dicht.  Heeft vast en zeker ook met mijn gebrek aan lenigheid te maken, terwijl ik inmiddels best wel sportief te noemen ben.  Toen mijn oudste dochter een jaar of drie was, mocht ze mij al eens helpen met de zipper, als ik het tenminste niet vergat te vragen.  Zo heb ik eens half gekleed in een volle schoenwinkel gestaan.  Eén van de andere klanten vroeg me tactvol of het de bedoeling was dat de tirette van mijn jurk openstond. Niet dus!  Ze stelde me voor om de ritssluiting dicht te doen en ik heb haar aanbod dankbaar aanvaard. Gênant, maar het kan nog erger…

Het voorval met de rok, die ik droeg op de eerste communie van onze jongste dochter, deed me bijna verhuizen naar de andere kant van België.
‘t Is te zeggen, een rok kon je het bezwaarlijk noemen.  Het was eerder een groot stuk linnen textiel, opgesmukt met gerafelde reepjes en sobere stiksels.  Je moest hem rond je middel draperen zodanig dat  de drukknopen zich volgens het male-femaleprincipe aan elkaar konden vastklampen.  Er waren er vier op een rij, maar mijn lapje stof was te smal – of was mijn middel te breed? – zodat slechts twee van de vier koppeltjes herenigd konden worden.  De verkoopster zag er echter geen graten in en ik vertrouwde haar blindelings.

Er was geen vuiltje aan de lucht tot na de overheerlijke hoofdschotel. Op dat moment besliste ik om een sanitaire stop in te lassen en verzadigd hees ik me van tafel.  Ik had er totaal geen erg in dat de verstrengelde mannetjes en vrouwtjes van mijn drukknopen ondertussen noodgedwongen gescheiden waren onder invloed van een uitgezet buikje.  Nietsvermoedend wandelde ik naar de damestoiletten. Toen ik echter een zestal meter had afgelegd, gebeurde het onvermijdelijke….  Onverwachts dwarrelde mijn wikkelrok neer.  Neen, stortte neer, anders lijkt het alsof ik het had kunnen verhinderen.  Niet dus.  Mijn reflexen waren echter fenomenaal.  Ik griste de lap stof van de vloer, spurtte sneller dan Kim Gevaert terug naar mijn zitplaats en begon vervolgens onbedaarlijk te lachen.  Enkel mijn schoonzusje had het zien gebeuren, maar ik had zo snel gereageerd dat  het leek alsof ze het gedroomd had.  De rest van onze gasten had er geen flauw benul van waarom ik zo zat te gieren.  In deze context kon ik er inderdaad de humor van inzien.  Stel je echter voor dat dit tijdens de viering in de kerk was gebeurd!  De kerk van ons dorp heeft het uitzicht van een veredelde sporthal, dus geen zuilen om je achter te verschuilen, noch een biechtstoel om je in te verstoppen…  Mocht dit dus enkele uren eerder voorgevallen zijn… Ik had het bestorven.

Wat er nadien met die rok is gebeurd?  Gelukkig had mijn schoonzus een veiligheidsspeld bij, zodat ik die bewuste dag toch nog zorgeloos van het feest heb kunnen genieten.  Vervolgens is ie onverbiddelijk in een vergetelhoek van mijn kleerkast beland.  Weggooien of tot poetsdoek degraderen kon ik ‘m niet, daarvoor vond ik hem te speciaal en te duur.
Zojuist heb ik hem even gepast. Vier jaar later en duizenden jogkilometers verder zit hij als gegoten.  De drukknopen kunnen zich eindelijk alle vier van hun belangrijke taak kwijten.

Zou ik het riskeren om hem eens naar mijn werk aan te doen?  Het is een berekend risico, ik ben immers nog nooit mijn onderbroek vergeten aan te trekken.  Dear Murphy, laat het uitgerekend dan niet de eerste keer zijn!

stank voor dank

29 nov

Via deze weg wil ik graag een groot taboe doorbreken, nl. vrouw zijn én scheten laten in gezelschap. Een vrouw, die een wind laat, dat is… juist…  not done!  Een man, daarentegen, mag overal en ten allen tijden knallen, no problem.  In sommige milieus wordt het zelfs aangemoedigd.  Een dame, die hetzelfde doet, wordt stante pede ontvrouwd en krijgt meteen de stempel van ‘mottige doos’ opgeplakt.  Wat doe je dus om dit te vermijden?… inderdaad…de ergste buikkrampen trotseren.     Brute pech, als je, zoals ik, regelmatig last hebt van flatulentie.  Je probleem publiekelijk uiten als vrouw, zelfs al doe je  het in de vrije natuur, wordt in de huidige maatschappij absoluut niet getolereerd.   Terwijl ik niet eens een petomane ben!  Thuis kan en mag het gelukkig wel. Mama is de beste schetenlater, vinden onze kinderen, zelfs papa kan er niet aan tippen. Niet dat er iets is wat op een nakende scheiding wijst, maar mijn man en ik zullen alleszins nooit voor een scheet uit elkaar gaan.

Onlangs maakte ik weer eens een supergênante situatie mee.  Mijn beste vriendin had VIP-kaarten voor een theatervoorstelling.  Je kent dat wel, met hapjes en zo, alles erop en eraan. Haar man wou niet mee en ze vond in mij een gewillig slachtoffer. Natuurlijk moesten we goed voor de dag komen, dus hadden we onze meest vrouwelijke outfit  aangetrokken.  Ik ben best tevreden over mijn model, maar voor dergelijke gelegenheden geef ik er toch de voorkeur aan om mijn klein buikje, het gevolg van één gewone bevalling en één keizersnede, te camoufleren.  Leve de figuurcorrigende slipjes, je kent dat wel, zo van die onflatterende onderbroeken, die je buik platdrukken.  Het ziet er fantastisch uit, het eindresultaat natuurlijk, niet het vleeskleurige ondergoed op zich.  Allemaal goed en wel, maar dit in combinatie met hapjes, uit een onvertrouwde keuken, werkt nogal in op mijn darmstelsel.  Het beoogde plattebuikeffect verdween spoedig helemaal door toenemende gasvorming. En penspijn dat ik daar van kreeg…

Beste bloglezer, ik hoor je al luidop denken: ga dan in de pauze naar het toilet en laat je daar eens goed gaan.  Niet dus!  Een chique theaterzaal, dat wel, maar om de toiletdeuren lang genoeg te maken, is er zelden voldoende budget voorzien.  Open, onder én boven.  M.a.w.  geluids- noch geurdicht. Je kan wel van krommenaas gebaren, eens goed knallen in zo’n kotje,  en dan fluitend en met een, zo onschuldig mogelijke blik, naar buiten  komen…ik garandeer het je, dat werkt niet.  Het taboe is immers zó groot dat je gewoonweg blokkeert als je ten langen leste op die pot bent beland. Je ongemak neemt alleen maar toe.

‘k Hoef niet uit te leggen hoe content ik was dat de avond op z’n einde liep.  ‘t Was leuk geweest, maar op het laatst kon ik alleen maar denken aan lucht laten.  Mijn vriendin, die zo haar connecties heeft, werd her en der aangehouden om een babbeltje te slaan en ik stond er groen bij te kijken.  Ik gunde haar dit pleziertje wel, van mij mocht ze nog een uur blijven socializen, als ik ondertussen maar ergens kon gaan ontluchten.  Op een gegeven ogenblik voelde ik me echter zo ellendig dat ik haar toefluisterde dat ik alvast even naar de auto zou gaan.  Omdat ze op de hoogte was van mijn probleem en daarenboven mijn beste vriendin is, verzekerde ze me dat ze vlug zou volgen.  Al moest ik nog een uur wachten, ‘t kon me niet schelen, als ik me maar even kon alleen kon terugtrekken in een, min of meer, geluidsdichte ruimte.

Op high heels holde ik, weinig lady-like, de grote parking over.  Sleutel met afstandsbediening in de aanslag om zo rap mogelijk mijn auto - ik was Bobbette van dienst - te detecteren.  Op een twintigtal meter zag ik plots de lichten opflakkeren, toch een handige uitvinding, als het donker is.  Nog een laatste spurtje en ik plofte eindelijk neer achter het stuur.  Achteloos gooide ik mijn  handtas op de zetel naast me. Ppppppppppppprrrrrfffffffffffffffffffffffffffffttt.  Een uitgerokken lange wind streek zachtjes langs mijn malse billen, gevolgd door enkele luide en krachtige knallen. Eerst voelde ik een aangename warmte - geen zetelverwarming nodig - en dan pas merkte ik de ontzwelling ter hoogte van mijn buikstreek op. Wat een opluchting! Ik heb daar achteraf zelfs een nieuw woord voor uitgevonden: een uitgasme.  Kan dit, als taboedoorbreker, niet dienen als opvolger van tentsletje?

Ik genoot nog even na, maar kreeg opeens de vreemde gewaarwording dat ik niet alleen was.  Instinctief keek ik in de achteruitkijkspiegel, recht in de ogen van een onbekende man, die me, zachtjes uitgedrukt, nogal verbouwereerd aankeek.  Ongelovig draaide ik mijn hoofd om. “Wat doet u in mijn auto,” stamelde hij.  Ik wou hem  hetzelfde vragen, maar ontdekte terzelfdertijd dat de zetelbekleding een andere kleur had dan die in mijn auto.  Verward draaide ik me om naar het dashbord en kwam tot de afschuwelijke vaststelling dat de man deze vraag  volkomen terecht had gesteld.  Ik bedacht me niet, opende het portier en maakte me zo snel mogelijk uit de voeten.  Toevallig terzelfdertijd kwam mijn vriendin aangewandeld.  “Waar kom jij vandaan?” vroeg ze. ”Je auto staat toch dáár.” Ze wees mijn auto aan, die 2 voertuigen verder stond geparkeerd.  Zonder iets te zeggen, opende ik vanop afstand de portieren, trok ik aan haar arm en gebaarde ik om zo snel mogelijk in te stappen.  Mijn vriendin volgde gedwee.  Ik kreeg nauwelijks een woord uitgebracht, maar maakte haar niettemin duidelijk dat ik haar thuis alles zou uitleggen.

Gelukkig geraakten we veilig thuis.  Ik parkeerde de auto in de garage.  Reeds in de hal deed ik haar met horten en stoten mijn verhaal.  Met moeite kon ik mijn lachen bedwingen en al spoedig lag ook mijn vriendin in een deuk.  Plots werden we echter opgeschrikt door de deurbel.  “Wie belt er nog aan op dit uur,” flitste door mijn hoofd.  Gewoontegetrouw begluurde ik mijn bezoek door het kijkgaatje in de deur. Tot mijn verbazing zag ik dat hij het was. “Hij is het,” fluisterde ik onduidelijk naar mijn vriendin. “Wat komt…” Ineens merkte ik het kleinood in zijn hand op, mijn handtas. Ik realiseerde me onmiddellijk dat ik deze in zijn auto had laten liggen.  Ondoordacht rukte ik de voordeur open. “Mevrouw,…” begon de eerlijke vinder.  Ik liet hem zijn zin echter niet afmaken. Onbeschoft griste ik de tas  uit zijn handen en kwakte de deur dicht, recht voor zijn neus.  Mijn vriendin en ik rolden letterlijk over de grond van het lachen.

Toen we even later wat bekomen waren, merkte ik op dat dit de beste act was van heel het toneelstuk.  “Ja,” beaamt mijn vriendin “al zal die man er wellicht anders over denken.  Als je op zo’n manier stank voor dank krijgt…”

Dus, beste eerlijke vinder, als je dit toevallig leest: bij deze bied ik je mijn oprechte excuses aan, niet zozeer voor mijn scheten in jouw auto, maar voor mijn ondankbare gedrag. Bovenal echter wil ik je duizendmaal bedanken. Niet zozeer voor het bezorgen van mijn handtas, maar hoofdzakelijk omdat je me niet hebt ontvrouwd, door me, ondanks alles, toch nog met mevrouw aan te spreken.  Je beseft het misschien niet, maar in je eentje heb je een groot taboe doorbroken.  You’re the best!

pedagogische incompetentie

28 nov

Ettelijke jaren geleden volgde mijn dochtertje zwemles en was ik genoodzaakt om wekelijks een uurtje in de cafetaria te vertoeven.  Vermits ik het type ben dat altijd – net wel, net niet – op tijd komt, waren de mooiste plaatsjes aan het raam, die mét uitzicht op de ploeterende kinderen, reeds bezet. Of neen, toch niet helemaal. Aan één tafeltje zat een dame alleen, met de rug naar me gekeerd.  Ik tikte haar zachtjes op de schouder en vroeg beleefd of ik mocht aanschuiven aan haar tafeltje.  Ze draaide zich met een glimlach om en onmiddellijk was er die wederzijdse blik van herkenning.

Ze was een leerkracht van de humaniora, waarvan ik,  toen al, ruim tien jaar was afgezwaaid, en zij ook. Sinds haar pensionering was ze wat uitgezet, maar voor iemand van haar leeftijd zeker nog binnen de grenzen van het aanvaardbare.  Haar oudste dochter had altijd bij me in de klas gezeten.  We waren zelfs vrij goed bevriend geweest.  Al moet ik toegeven dat ik er na het zesde bewust en definitief komaf mee had gemaakt. Ze was nogal een seut en ik voelde toen geen behoefte meer om nog langer met haar om te gaan.  Vermits we beiden naar een andere universiteitsstad trokken, was dat niet zo moeilijk.  Haar moeder was duidelijk aangenaam verrast me te zien.  Zelf  brandde ik ook wel van nieuwsgierigheid om te weten hoe het haar dochter in haar verdere leven was vergaan.  Ze bleek een man en drie (!!!) kinderen te hebben, de oudste van dezelfde leeftijd als mijn jongste telg.  Dat nieuws verraste me. ‘k Had nooit verwacht dat ze van straat zou geraken, laat staan dat ze  haar maagdelijkheid ooit zou verliezen.  Ze stelde het goed en ik was er oprecht blij om.

Al tetterend vloog het zwemuurtje om en voor we er erg in hadden waren mijn dochtertje en  haar kleinzoontje klaar om afgedroogd en aangekleed te worden.  Vermits het nog maar kleutertjes waren, gebeurde dit met  hulp van een (groot)ouder in een gezamelijke kleedkamer.  Terwijl mevrouw gebukt stond om een handdoek uit de zwemtas te nemen,  merkte mijn dochter nogal luid op “Mama, die mevrouw heeft een dikke kont!”  Beschaamd om zoveel kinderlijke eerlijkheid maakte ik haar duidelijk dat het niet gepast is om zoiets te zeggen. “Maar mama, die mevrouw heeft écht een dikke kont!!”  De ex-leerkracht begreep mijn vervelende positie. Ze suste me door te stellen dat ze ook wel wist hoe kinderen zijn.  Ze maakte er zelfs een grapje over door mijn dochtertje gelijk te geven.

Eigenlijk hoefde deze situatie dus niet zo gênant te zijn.  En dat was het ook niet als ik het had nagelaten om kost wat kost mijn pedagogische kwaliteiten te willen etaleren.

Iedereen met kinderen komt wel eens in een situatie terecht dat ze onflatterende commentaar geven over een medemens.  “Kijk,” ondertussen indiscreet wijzend met dat  kleine vingertje, “die mijnheer heeft een dikke buik  Zit daar een kindje in?” ” Kijk, die mevrouw is juist een heks… ” De waarheid komt uit een kindermond, luidt het spreekwoord… Gelukkig kunnen de meeste mensen wel wat verdragen van kinderen.
Kinderen moeten echter leren om niet altijd te zeggen wat er in hen opkomt.  In de volwassenenwereld wordt er immers een beetje hypocrisie van je verwacht, wil je je er in kunnen handhaven.  Is het bijvoorbeeld verstandig om een collega, met wie je regelmatig moet samenwerken, boudweg te zeggen dat hij onbekwaam is in zijn vak.  Ok, soms is het wel nodig, maar vaak zijn er ook andere, subtielere manieren om tot verandering te komen zonder dat dit de relatie definitief verzuurt.  Of stel dat de echtgenoot van je beste vriendin, met wie je nog regelmatig optrekt, in jouw ogen een ongelooflijke etter is.  Vind je dan dat ze dit moet weten?  Ik meen van niet.  Ik zou hooguit durven hopen dat ze ooit tot hetzelfde inzicht komt en van hem scheidt.  Cru gesteld: een kind leiden tot volwassenheid is een kind leiden tot hypocrisie.

Vanuit deze optiek  wou ik duidelijk maken dat mijn dochtertje  moet leren om niet altijd te zeggen wat er in haar opkomt. Dus toen mevrouw mij suste, in de zin van - ’t is maar een kind-, bedoelde ik  ”ja, maar ze moet leren dat ze niet altijd mag zeggen wat ze denkt.”
Echter… ik vergiste me en verklaarde vrij kordaat “ja, maar ze moet leren dat ze niet altijd de waarheid mag zeggen.” Over een pedagogische blunder gesproken…

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.